vrijdag, december 11, 2009

Kunst in Gariyat (dinsdag, 17.11.2009)

O wat was het koud vanochtend. De sterren schenen helder en de temperatuur zal ver onder de 10 °C hebben gelegen. Probeer dan maar te blijven lachen als je je buiten boven een opvouwbaar waterbekken moet wassen en scheren. Brrr. Dan ben je blij als je iets warms als ontbijt kunt eten zoals een halfzacht eitje. Ze waren moeilijk pelbaar en tegen de tijd dat ik daarmee klaar was, was het ei koud… Maar als handwarmers fungeerden ze prima!

Stipt om 8:00 uur reden we weg van de kampeerplek en reden we terug naar Gariyat. Op de vooruitstekende punt van een Tafelberg zagen we daar in het licht van de opgaande zon een Italiaans fort. Dat ding was gebouwd op de ruïnes van een fort uit de Ottomaanse tijd en dat fort was op zijn beurt weer gebouwd rond de resten van een Romeinse wachttoren. Drie generaties fort op één plek. Het zal jullie wel niet verwonderen te horen dat de Romeinse wachttoren overduidelijk het best en meest solide gebouwd was. Het bestond uit grote zandsteen blokken die uit de zijkant van het plateau gehaald waren. De beitelsporen waren goed te zien en de hoeken waren afgerond. Met uitzondering van het rechthoekige Romeinse bouwwerk in het midden was de rest van het fort een grote puinhoop. Een half uurtje was genoeg om alles in rust te kunnen bekijken. We kregen echter bonustijd omdat één van de banden van de bus verwisseld moest worden. Een scherpe steen was tussen de dubbele banden blijven steken en had één daarvan doorboord. Alois werd bij het wisselen geholpen door Akram. Het leuke was dat Alois alleen Duits sprak en Akram alleen Arabisch en Engels. Zij verstonden elkaar absoluut niet, waren echter zo goed op elkaar ingespeeld dat binnen een uur het karwei geklaard was. We hadden dus een half uur extra om in de omgeving rond te kijken. Dat was niet echt de moeite waard. Er stonden wat officiële gebouwen die in Nederland als kraakpand zouden zijn doorgegaan en een paar betonnen woningen. Sommige waren verlaten en op het erf bij één van de huizen liepen een stel honden rond. En overal lag afval. Het meest imposante in deze omgeving was de door een storm omgeknakte zendmast. Het bovenste deel, dat waarschijnlijk te ver uitstak, was weggehaald. Het onderste deel was als een surrealistisch monument blijven staan. Een paar honderd meter verderop had men een nieuwe zendmast gebouwd.


Een half uur later dan gepland reden we weg naar Alfejej. Dat was een ruk van zo’n 500 km dwars door de woestijn. Het eerste stuk bestond uit steen- en rotswoestijn. Kilometers lang zonder dat er ook maar iemand voorbij kwam. Over grote delen waren langs de weg de resten van een parallelweg te zien. Dit was waarschijnlijk de oorspronkelijke zandpiste. Hij werd niet meer onderhouden maar zou zonder problemen weer in gebruik kunnen worden genomen als de nieuwe weg bijvoorbeeld gerepareerd zou moet worden. Op enige afstand van de weg stond vervolgens een rij hoogspanningsmasten. Die dingen staan bijna overal in Libië en wel parallel aan de grote wegen. En tussen de weg en de hoogspanningsmasten zagen we op regelmatige afstand van elkaar pompstations voor het grote irrigatiesysteem van Ghadaffi: het Man Made River project. Dit was de grote droom van Ghadaffi, of The Leader zoals hij in Libië genoemd wordt. Hij wilde Afrika weer groen maken. Onderzoek wees uit dat er onder de Sahara enorme voorraden fossiel grondwater aanwezig waren. Dat grondwater wilde The Leader gebruiken voor het realiseren van zijn droom. Daartoe liet hij ten eerste een fabriek bouwen waar betonnen buissegmenten met een diameter van 4 m werden gemaakt. Ten tweede werd op verschillende plekken in de woestijn grondwater opgepompt en ten derde werd een enorm stelsel van pijpleidingen van de bron tot aan de bevolkingsrijke delen aan de kust gepompt. Dit slokte miljarden olie-dinars, maar zorgde tegelijkertijd voor genoeg werk. Helaas begint het er nu op te lijken dat er minder water aanwezig is dan gedacht werd. Er is nog wel water maar het wordt steeds zouter naarmate meer water opgepompt wordt. Het was de bedoeling dat als de technologie van het ontzilten van zeewater rendabel zou worden, het pompsysteem omgekeerd zou gaan werken. Maar dat zal wel utopie blijven want het fossiele grondwater begint nu al op te raken. Niet dat dat de Libiërs zorgen schijnt te bereiden. Net als met elektrische stroom wordt ook met water heel verspillend omgegaan. Onderweg zagen we oases waar de hele dag de sproeiers aan stonden, en dat in de brandende zon. Ook zagen we kunstmatige, cirkelvormige oases met een diameter van meerdere honderd meter en een centraal roterende sproeiarm op wielen.


Gelukkig stopten we een paar maal om de benen te strekken en in te kopen. Tijdens de tweede inkoopstop in Sabha vonden we baklava en hebben daarvan gelijk een grote hoeveelheid ingeslagen om uit te delen als toetje bij het avondeten. Een andere stop was bij de overgang van rotswoestijn naar zandwoestijn. Bij een door Rotel “gepatenteerde” rij van sikkelduinen of barghanen stopten we voor een fotopauze en een beetje klimwerk. De zon was ondertussen goed warm geworden maar op de blanke top der duinen woei een zwak, verkoelend briesje. Een laatste stop was bij de Garamanten-graven. Op dit laatste stuk van de lange, lange reis reden we aan de zuidzijde van een lange reeks tafelbergen met rechts van ons een uitgestrekte oase. Op de helling van de tafelbergen waren op onregelmatige afstand van elkaar op de minder steile stukken concentraties te zien van steenhopen met een diameter van zo’n 5 m en een hoogte van 1-2 m. Dat waren de grafmonumenten van de Garamanten, een volk dat deels vijandig tegenover de Romeinen stond en deels daarmee ook handel dreef. De graven zijn allemaal leeggeroofd en veel weten we daardoor niet van de Garamanten.


Uiteindelijk kwamen we bij zonsondergang aan bij de jeugdherberg van Alfejej. Deze zag er iets anders uit dan de twee standaardmodellen die we op eerdere overnachtingen hadden. Het grootste verschil was dat deze een grote, met gedroogde palmbladeren gedekte veranda naast het gebouw had staan, waar het goed toeven was. Het hield de warmte van de dag goed vast zodat er daar toen de schemering inviel, nog steeds een aangename temperatuur heerste. Er waren twee blokken met douches. Bij het ene blok was alleen koud water en bij het andere blok … ook. Nou ja, bij de vrouwen dan. Bij de mannen was er wel warm water. Ook kon je, als je wilde, de buitenkranen gebruiken. Had je tenminste nog een interessant uitzicht op versteende stukken hout, die we onderweg tijdens één van de stops ook al hadden zien liggen.

Als avondeten was er aardappelpuree met een soort van gehaktballen in saus. Verder was er yoghurt als toetje en als toe-toetje de baklava die we eerder die dag hadden gekocht. Daar was iedereen heel erg over te spreken. We kregen de koffers om de “Drei-Tage-Tasche” te herpakken en zijn daarna weer onder de veranda gaan zitten om het dagboek bij te werken en te borduren.

donderdag, december 10, 2009

Het lemen doolhof (maandag, 16.11.2009)

Een nieuwe dag brak aan. Na een paar keer te zijn wakker geworden en te hebben besloten om toch maar te blijven liggen, ben ik om 6:00 uur opgestaan om te gaan douchen. De meeste Rotelianers hadden gisteren al gedoucht op aanraden van Berthold omdat er maar twee douches waren. Toen ik opstond waren beide nog vrij, terwijl er toch al een paar medereizigers wakker waren en zich bij de wasbakken stonden op te kalefateren. Douchen in Libië is een hele belevenis. We zouden zelfs een blog alleen al over de sanitaire inrichtingen in het land kunnen schrijven. Hier wilde ik nu alleen het één en ander over de douches kwijt. In de regel betreed je de doucheruimte met de gedachtes: waar ben ik nu weer beland, is er water, is er warm water, kom ik hier schoon uit en waar hang ik mijn kleren op? In die volgorde. Jullie moeten je voorstellen, je komt in een ruimte die er uitziet als een afbraakwoning: gebroken smerige tegels op de vloer. Als je geluk hebt hebben ze geprobeerd met wat water de boel “schoon” te houden. De douchecabines zijn simpele hokjes afgescheiden door driekwart hoge muurtjes en een deur die meestal niet op slot kan. Af en toe ligt er een houten vlonder zodat je niet direct in de nattigheid hoeft te staan. Het water moet in principe weglopen in een putje dat met een pijp met de buitenwereld verbonden is. In andere gevallen is de douche gecombineerd met een hurktoilet zodat het water daarin direct kan wegstromen. Dan heb je een pijp met douchekop en wat knoppen voor koud en warm water. Soms zijn ze alle drie aanwezig, soms is er alleen een pijp of alleen een douchekop. Draaiknoppen kunnen missen of werken niet of water spuit constant uit koppelingstukken. Alles is mogelijk. Warm water is niet altijd aanwezig. Jessica had alleen op de eerste en laatste dag warm water. De mannen hadden dat wat vaker, bij één van de jeugdherbergen omdat ze zo handig waren geweest om de boiler op een artistieke manier aan het stroomnet aan te sluiten… Een groot gemis zijn haakjes waar je je kleren en toilettas aan kan ophangen. Gewoonlijk probeerde ik ze over en op het muurtje tussen de douches te deponeren. Met mijn lengte kwam ik daar makkelijk bij. Het is evenwel niet te verhelpen dat één en ander nat wordt. De twee douches van de jeugdherberg van Ghadamès waren met marmer bekleed en redelijk schoon. Zij behoorden tot de top drie van schoonste en best werkende douches van de reis.

Bij terugkomst heb ik Jessica wakker gemaakt zodat zij kon gaan badderen. Ondertussen heb ik de cabine reisgereed gemaakt, dat wil zeggen raampjes dicht, vitrage er netjes voor en alles stoot- en schuifvrij stouwen. Daarna moest onze opvouwbare watertank gevuld worden voor de volgende dag want we zouden in de open lucht in de woestijn overnachten. Het was enorm koud en de meesten van ons zaten bibberend op de banken buiten aan het ontbijt. En dat ondanks de dikke jassen die we aan hadden en de warme thee. De kleuren van de zonsopgang waren evenwel prachtig, net als die van de zonsondergang gisteren trouwens. Het was fel oranje aan de horizon. Ondertussen waren tafelgroepjes uitgekristalliseerd en wij zaten samen met Achim (een vroege pensionaris, onbevangen en zonder tact) en Lutz (begin 40, arts), wat heel gezellig was.

Om 8:00 uur was alles weer opgeruimd en afgebroken en vertrokken we richting de oude stad Ghadamès. Bij de nieuwe moskee met de potloodminaretten (een traditionele Afrikaanse bouwwijze bestaande uit een smalle, ronde bovenbouw) stapten we uit en werden we opgewacht door de gids die ons door de oude stad zou leiden. Zijn naam was Kemal en Jessica kreeg gedurende de rondleiding een steeds betere band met hem.


Op weg naar de oude stad bekeken we eerst de begraafplaats. Dat ding was hectares groot. De graven zijn gemerkt door een steen aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde. De doden worden op hun zij met het gezicht naar Mekka begraven zodat de graven noord-zuid georiënteerd zijn. Het was een akker vol met staande en omgevallen stukken onbewerkt natuursteen zonder enige orde. Toch moet er een soort van orde in hebben gezeten want volgens Kemal werden families bij elkaar begraven. Op die manier hoefden ze bij de opstanding niet zo lang naar elkaar te zoeken. Behalve stenen à la Carnac stonden er ook een paar kleine witte grafhuisjes. Dit waren de Maraboe-graven, of graven van heiligen, mensen die zich tijdens hun leven aan goede dingen hebben gewijd. Kemal had niet veel behoefte om de begraafplaats op te gaan omdat, zo vertelde hij, je de doden eerst moest begroeten en ze daarna moest vertellen dat ze dood waren. De Rotelianers hadden daarvoor niet echt begrip, als ze het al gehoord c. q. begrepen hadden (de gids sprak alleen Engels) en fotografeerden er lustig op los. De groep bevatte een aantal fanatieke fotografen en DVD amateurs, die net als Japanners alles moesten vastleggen. Daar stond dan weer een mopperaar tegenover die dat alles maar onzin vond omdat de meeste opnames toch weggegooid werden. Daarin zat zeker een kern van waarheid. Wij probeerden alles met mate te doen. Ik heb ongeveer 500 opnames met onze digitale camera gemaakt en Jessica heeft 10 films van 36 met haar SLR (single lens reflex) geschoten. Dit relaas moest natuurlijk wel op gepaste wijze geïllustreerd kunnen worden!


De oude stad is UNESCO wereldcultuurerfgoed. En het bezoek was zeer zeker de moeite waard. Het is een oude oase stad, die eens door twee rivaliserende clans bewoond werd. Deze clans konden elkaar niet luchten of zien. Binnen de clans waren ook weer groeperingen die elkaar ook niet zo aardig vonden. De hele stad was ommuurd, met zeven poorten: voor elke groepering één. Binnen de stad was het mogelijk om van het gebied van een vriendelijk gezinde groepering naar dat van een andere vriendelijk gezinde groepering te komen. Anders was dat alleen mogelijk via de openbare plaatsen. Voor de rest waren die wijken afgesloten systemen. Daardoor was bijna alles meervoudig uitgevoerd: moskeeën, Koranscholen, enz. De stad was een labyrint van smalle, overdekte steegjes en straten met daartussen lichtschachten en pleintjes. Je had hier werkelijk een gids nodig om niet te verdwalen. Ze waren druk bezig met restauratiewerkzaamheden maar waarschijnlijk zou niet de hele stad behouden kunnen blijven omdat zij zo enorm groot was. De stad kende ongeveer 2600 lemen huizen. De restauratie werd door zwarte gastarbeiders gedaan. Zij vermengden de leem met cement omdat men dacht dat dat beter was dan gewoon leem. Arghhh!


De huizen zien er allemaal hetzelfde uit. De voorkant kijkt uit op de straat, aan de achterkant is een tuin. Ze zijn smal, meerdere verdiepingen hoog en hebben meerdere ruimtes. Eén authentiek ingericht woonhuis hebben we bezichtigd. Daarvoor had Kemal een enorme smeedijzeren sleutel. De wanden waren wit met decoratieve rode lijnen en versierd met spiegeltjes en messing vaatwerk. De centrale ruimte werd verlicht door een gat in het plafond. Langs de wanden waren lemen zitbanken aangebracht en aan één zijde waren alkoven en inbouwkasten. Een smalle trap zonder leuning voerde naar boven, naar de eerste verdieping met de keuken en toiletruimte en verder naar het dak. Alle huizen waren via de daken te bereiken. Dat was voor de vrouwen, de mannen gingen via de steegjes op de begane grond. Dit zou overigens kunnen verklaren waarom we tijdens de reis zo weinig vrouwen op straat aantroffen. Zij waren natuurlijk gewend om via de daken te gaan. De nieuwe betonnen huizen staan echter veel verder uit elkaar…


De huizen stonden in het centrum met wat smalle tuinen er tussendoor. De palmplantages lagen als een ring rond de stad. Deze buitenring werd via kanalen van water voorzien wat door een centraal bestuur voor waterzaken werd beheerd. Iedereen kreeg zijn waterdeel en was ongeveer elke 14 dagen aan de beurt. Daartoe was een waterklok in het hartje van de stad gebouwd. Een vat werd met water gevuld dat in ongeveer drie minuten leeg druppelde. Elke keer als een vat leeg was werd het opnieuw gevuld en een knoop in een palmstreng gelegd. Dat was één eenheid. De dag bestond uit ongeveer 560 eenheden. De toegewezen hoeveelheid water werd in deze eenheden aangegeven. Als de tijd om was, werd een strohalm in het water gegooid en de sluiswachter wist dan dat het tijd was om het ene kanaal te sluiten en het andere te openen. Het water was kostbaar. Het eerste water ging naar de moskeeën, dan naar een paar geprivilegieerde families en dan naar de openbare gebouwen waar ieder water kon halen.


Sommige deuren van de huizen waren met stukjes stof versierd. Dit betekende dat de bewoner op hadj, pelgrimstocht naar Mekka was geweest. Tegenwoordig wordt geprobeerd het aantal pelgrims te beperken door de reis en het verblijf steeds duurder te maken. Dit vanwege het risico van de Mexicaanse griep. Ook vroeger was zo’n pelgrimstocht heel duur en de pelgrim was dan ook trots dat hij die tocht had kunnen ondernemen. De gids Kemal was ook op hadj geweest en was nog steeds onder de indruk van het overweldigende gevoel van eenheid, deel te zijn geweest van iets dat zoveel mensen geloven.


Binnen de stad was een koffiehuis waar we Arabische koffie en kakadé-thee hebben gedronken en een Tuareg-masker als bedankje voor de katoppas Angi hebben gekocht. Ook heb ik twee soorten dadels ingeslagen voor de vergelijkingscollectie van mijn collega in Nottingham. Een kwartier later liepen we de oude stad weer uit, langs een bekken vol water waar volgens de overlevering de stad was ontstaan. Hierna hadden we een half uur de tijd om in te kopen voor de picknick van vanmiddag. We hebben een paar komkommers en een appel ingeslagen alsmede wat yoghurt en chips en zijn daarmee naar de bus gegaan. Onderweg zagen we twee schoolkinderen met hun opa in het portiek van een huis zitten, die huiswerk maakten. Jessica vroeg of zij een foto van hen mocht maken, maar zij begrepen haar niet. Toen Jessica een foto maakte, verborgen zij hun gezicht. Als bedankje hebben we toen wat lollies gekocht en hen er een paar van gegeven. Daar waren ze heel blij mee en bij ons vertrek zwaaiden ze ons uit en lachten zelfs verlegen. Tegen die tijd was het ook tijd om de bus weer in te gaan. We hadden nog een lange reis voor de boeg. De route ging dwars door de rode woestijn; rood omdat er een rode gloed overheen hing. Het was weer een rotswoestijn met overal kleine stukken steen en tafelbergen in de achtergrond. Dit soort bergen zijn eigenlijk overblijfselen van een voormalig hoger niveau en hebben in de regel een vlakke bovenkant. Door erosie zijn de zachtere delen tot zand verworden en alleen de hardere delen zijn overgebleven. De combinatie van wind en zand maakt van de wind een soort zandstraalapparaat dat de zandsteenafzettingen (en de kalk) nog sneller doen afslijten. Het zand wordt in drie lagen door de wind meegenomen: In de bovenste laag bevindt zich fijn zand, in de laag daaronder bevindt zich zand dat net wel en net niet blijft zweven, en in de onderste laag bevindt zich zwaar zand dat alleen nog maar rolt. Dit grove zand blijft liggen achter obstakels waarna zich steeds meer grof zand verzamelt. Na het grove zand volgt het middelfijne zand en op den duur verworden deze accumulaties tot sikkelvormige duinen of barghanen. Het fijne zand kan heel ver worden vervoerd, tot in Zuid-Amerika. Dit zandstof verbetert daar onder andere de vruchtbaarheid van de Amazones.


Ver na het middaguur koppelden Alois en Akram de aanhanger van de bus los en lieten deze langs de rand van de weg staan. Wij gingen met de bus van de weg een wadi binnen. We hadden geluk want de ondergrond was hard genoeg om over te rijden. Direct na de regenval zou dat niet mogelijk zijn geweest. De ondergrond was hard en zag er soms uit als door de zon gesinterde klei met soms diepe bandensporen. Over grote delen was een witte waas te zien dat door gekristalliseerd zout veroorzaakt werd. We kregen het idee door een winterlandschap te rijden met een bevroren bodem. De overeenkomst was echt verwisselbaar echt! Het doel van dit uitstapje was een picknick bij één van de nog met water gevulde zoutmeren in de woestijn. Als we wilden konden we ook gaan zwemmen, maar dat wilden we beide niet (gelukkig…). Niemand weet waar dat water vandaan komt en waarom sommige meren zijn opgedroogd. Men vermoedt dat dit met het grootschalig oppompen van fossiel grondwater te maken heeft, maar bewijzen hiervoor zijn er niet. De verdamping in de nog bestaande meren is ongeveer net zo hoog als dat er van onder bijkomt. Het zoutgehalte is vergelijkbaar met dat van de Dode Zee, dat wil zeggen dat je er niet echt kan zwemmen. Volgens een paar Rotelianers die wel gingen zwemmen c. q. dobberen was het bovenste laagje aangenaam koel terwijl het water daaronder broeierig warm was. Wij gingen in de schaduw van wat bosjes aan de rand van het meer onze lunch verorberen. Op een gegeven moment waren we met ons drieën. Ik moest van Jessica heel stil blijven zitten. Op nog geen 30 cm van mij zat een woestijnrat die ook interesse aan ons eten had. Helaas vond ik het nodig mijn hoofd te draaien waardoor onze ongenodigde gast de benen nam. Hij bleef nog even in de bosjes zitten en verdween daarna uit zicht.


De aanhanger vonden we op dezelfde plek terug als we hem hadden achtergelaten en reden verder naar Gariyat. Tegen 17:00 uur kwamen we in deze stad aan. Voor het avondeten stopten we bij een wegrestaurant vlak bij een tankstation. Als voorafje bestelden we een Arabische koffie en begonnen bijna direct daarna met het diner. Deze bestond uit de gebruikelijke komkommer-tomaat-olijf-salade met citroen, gevolgd door een tomatensoep met rijst-pastachtige dingetjes erin. Dan kwam een kwart kip en brood. De kip was niet zo goed als op de eerste dag maar we hadden ieder geval meer dan genoeg. Er werd aangedrongen ons te haasten want we moesten weer snel de weg op. De zon ging al onder en Alois wilde graag zien waar we de Rotel konden opbouwen. Vandaag zouden we tenslotte in de vrije natuur, in de woestijn overnachten. Bij het laatste licht reden we kort na Gariyat de weg af. We bleven echter relatief dicht bij de weg en gedurende de nacht kon je af en toe het verkeer voorbij horen razen. Gelukkig kwam dat niet zo vaak voor. Voor het grootste gedeelte van de tijd waren we alleen met de stilte en de sterren. Van die laatsten waren er genoeg.


Voor de duisternis helemaal inviel, zijn we na het opbouwen van de Rotel hout gaan zoeken voor een kampvuur. Er waren meerdere tamariskstruiken in de buurt maar het was niet eenvoudig genoeg los hout te vinden. Sommige Rotelianers vonden het zoeken te lang duren en begonnen takken van struiken te rukken (wat overigens ook niet eenvoudig was want tamarisken hebben akelig lange naalden). Zij vonden het niet leuk om door Jessica daarvoor op de vingers te worden getikt. Na genoeg hout te hebben verzameld vleide het grootste deel van het gezelschap zich neer op de houten banken naast de Rotel en begon te kakelen over het gemis aan bier en andere spirituosa. Alcohol wordt in Libië, als zijnde een islamitisch land, natuurlijk niet verkocht. Alcoholvrij bier daarentegen is wel te verkrijgen en werd door onze groep in grote hoeveelheden gedronken. Even later werd het vuur door Alois ontstoken en ontstond er een volksverhuizing waarbij banken om het vuur werden neergezet. Wij hadden even genoeg van de groep en zijn wat achteraf blijven zitten en hebben de sterrenhemel bekeken. Het zomerdriehoek was goed te zien alsook de Melkweg. Orion kwam alleen vroeg in de morgen even kijken. Een vleermuis vloog zijn rondjes om het vuur en het was een leuk gezicht om zijn witte buik rond te zien flitsen. Vlak voordat het vuur uitging hebben we de Rotel opgezocht en heb ik het dagboek bijgewerkt. Jessica heeft nog een beetje zitten borduren.

woensdag, december 09, 2009

Geen plek in de herberg (zondag, 15.11.2009)

Ik werd wakker van getrompetter. Er moet een soort van legerkamp dicht bij de jeugdherberg hebben gelegen waar reveille geblazen werd. Het was nog donker en Orion stond nog duidelijk te stralen aan de hemel. Daarna kwam een concert van blaffende honden en een muezzin, die weer op een andere manier kweelde dan in Turkije, Egypte, Syrië of Jordanië. Hij kweelde maar heel kort maar niettemin scheen de Rotel daarna al helemaal wakker te zijn. Er was gepraat en een heleboel geschud. Het reiswekkertje dat we speciaal voor deze reis hadden gekocht, wees 12:00 uur aan. Op de één of andere manier had hij het gepresteerd om midden in de nacht stil te blijven staan. English quality… Dat ding konden we dus wel vergeten en we schakelden het ding uit. Mijn mobiele telefoon zei 2:05 uur. Dat moest dus 4:05 uur zijn, want ik had de tijd nog niet veranderd. Dat was wel heel erg vroeg, zelfs voor Rotel begrippen. Het ontbijt zou pas om 7:00 uur zijn. Wij bleven dus liggen. Het geschud en gekwek werden heftiger. Nu leek het ons toch een goed idee om even te kijken hoe laat het precies was. Dat bleek bijna 6:30 uur te zijn en wij haastten ons naar het sanitaire deel van de jeugdherberg om ons te wassen. Bij het terugkomen bij de Rotel bleek dat ons reiswekkertje op het idee gekomen was om het alarm af te laten gaan. Een luid gepiep begroette mij samen met een groep hoogst verbolgen Rotelianers. Het is een oude groep en Jessica is duidelijk de jongste. Dan zijn er nog een paar tussen Jessica en mij in en de rest is ver voorbij de 50. We hadden gisteravond bij het eten al gemerkt dat dit waarschijnlijk een klaaggroep was. Nu werd het ons wel heel duidelijk. Het wekkertje maakten we definitief onschadelijk door de batterij eruit te halen en wij maakten ons op voor het ontbijt.

Het was een typisch Rotel-ontbijt met stokbrood, jam, smeerkaas en –worst en muesli. We kregen eerst allemaal onze ontbijtzak met daarin een diep bord, een kommetje, broodplankje, beker, snijgerei en theedoek. Daarna mochten we zoveel eten als we op konden. Meenemen voor de middag mocht niet, maar ja, in een klaaggroep was niet te verwachten dat men zich daaraan hield en tijdens de reis werd dit ook duidelijk. Voor 8:00 uur was alles opgeruimd, de Rotel afgebroken en de aanhanger weer achter de bus gehangen door verenigd duwwerk. Onze veiligheidsagenten hielpen vlijtig mee en schenen het nog leuk te vinden ook.

Er werd eerst getankt. Hoewel Libië een olie exporterend land is en de benzine zo goed als gratis, is de aanlevering naar de benzinestations problematisch. Het is heel goed mogelijk bij een tankstation te komen waar al dagen geen benzine meer te halen is. Daarom moet men overal de mogelijkheid van tanken waarnemen, zelfs als het niet nodig is. Vandaag zouden we een enorme afstand afleggen, zo’n 600 km. We gingen naar Ghadamès, naar het drielandenpunt met Tunesië en Algerije. Vooreerst reden we evenwijdig aan de kust door de Djefara-vlakte. Dit is het min of meer groene en vruchtbare deel van Libië tussen de Middellandse Zee en de Djebel Nafusah, een relatief hoog plateau dat zo’n 300 m boven het land uittornt en er voor zorgt dat er genoeg regen in dit gebied valt. Tweederde van de bevolking woont in dit gebied, voornamelijk in de steden die langs de doorgaande wegen liggen. Het zijn een soortement van straatdorpen. Aan beide zijdes van de straat liggen de bekende blokkendoosachtige winkels en andere zaakjes en daarachter de woonhuizen. Aan beide zijdes van deze “kerndorpen” vindt in de regel nieuwbouw plaats. Er wordt enorm veel gebouwd en alles is van beton. In de regel worden eerst palen van gewapend beton in een regelmatig raster gegoten. Dan komt de eerste verdieping erop en wordt het spel met de gewapend beton pijlers herhaald. Na de eerste verdieping wordt vaak opgehouden, maar delen van de stalen wapening blijven uitsteken voor het geval de eigenaar het idee mocht opvatten er nog een verdieping op te zetten. Vervolgens worden de tussenruimtes met kalkzandstenen tiggels opgevuld. Op regelmatige afstand zagen we plaatsen waar deze tiggels geperst werden en in de zon te drogen stonden. Soms ook worden eerst de tussenmuren gebouwd, uiteraard zonder waterpas of hoogtelijnen. Die muren zien er dan ook niet altijd even recht uit. Vervolgens worden gaten in de tiggels geslagen om daaraan planken te kunnen bevestigen die de ruimtes tussen de tiggelmuren omsluiten. Deze ruimtes worden volgegoten met beton. Het effect na het drogen is hetzelfde als bij de pijler-tiggel-methode, alleen zitten er in dit geval gaten in de tiggels. Ter afwerking wordt de boel met cement bestreken en wit, bruin of in een andere beige tint geschilderd.

Sommige huizen zijn af, de meeste echter niet. Hele nieuwbouwwijken worden uit de grond gestampt en het is de vraag waar al de bewoners vandaan moeten komen. Er zijn zo’n zes miljoen Libiërs. Hierbij worden de zwarte gastarbeiders uit de zuidelijke landen als Tsjaad en Niger niet gerekend. Hun aantal wordt op ongeveer twee miljoen geschat. Zij doen het zware werk. De Libiër is gelukkig als hij op een stoeltje niets hoeft te doen. Daarin zijn ze best goed. Neem bijvoorbeeld de politieposten langs de lange, bijna stille wegen. Hier werd de bus regelmatig staande gehouden. Dan liep één van een groep agenten naar de bus om een papier met onze namen en reisbestemming in ontvangst te nemen. Berthold scheen een onuitputtelijke stapel van dat soort kopieën in zijn bezit te hebben. Die agenten moeten een uitermate saai bestaan hebben maar toch zagen ze er tevreden uit.

Het groene landschap van de Djefara-vlakte bestond uit dadelpalmen en olijfbomen en een heleboel kleine groene plantjes, waarschijnlijk tamarisken, tussen stenen en zand. Ten zuiden van het Djebel Nefusah plateau veranderde het landschap. Het was hier veel kaler en alleen de wadi’s waren groen. Het landschap hier bestond voornamelijk uit zandsteenformaties, keien en zand. Het zandsteen toonde verschillende tinten van rood tot grijs. De zijdes waren geërodeerd onder invloed van het weer en in de regel erg grillig. Dit landschap is de Fezzan. De originele bewoners van de Fezzan, de nomaden, zijn in de loop van de geschiedenis behoorlijk vervolgd. Eerst door de koloniale macht Italië aan het einde van de 19e eeuw. Italië is pas heel laat een eenheid geworden en in 1860 wilde zij de rest van de wereld tonen dat ook zij een grootmacht was. Dus wilde Italië een kolonie. Het probleem was echter dat de meeste gebieden al door anderen waren ingepikt. Gelukkig was het Ottomaanse Rijk op zijn retour en was het min of meer ongevaarlijk het één en ander over te nemen. Italië had zijn oog op Tunesië laten vallen, net als Frankrijk. De Fransen waren net iets sneller en dus probeerde Italië het nog een keer met Libië. Net als hun voorouders de Romeinen begon zij met een geleidelijke en vreedzame overname. Vervolgens werd meer geweld gebruikt toen bleek dat de nomaden (Berbers en Tuareg) het spelletje niet mee wilden spelen. Bronnen werden vergiftigd en het beste land met kolonisten uit Italië bevolkt. Ter bescherming van de kolonisten en ter onderdrukking van opstandige elementen werden op verschillende plaatsen in Libië forten gebouwd. Daarvan hebben wij er op onze reis naar Ghadamès meerdere gezien. In 1943 werden de Italianen als koloniale macht door de Fransen vervangen. Een grote groep Italianen bleef echter achter, met name rond Tripolis. Tijdens de Libische Revolutie in 1969 zijn ze allemaal het land uitgezet.

De genadeslag voor de nomaden kwam door de oliewinning. De traditionele dorpsstructuur met de lemen huizen ging verloren en werd vervangen door die betonnen dingen die we overal zagen. Op een enkele plaats na. Halverwege onze tocht, na een serpentineklim naar de top van de Djebel Nafusah, stopten we in Nalut. Het oude dorp ligt dicht bij de nieuwe stad en is verlaten. Het wordt nauwelijks onderhouden en zal uiteindelijk door erosie ten onder gaan hoewel het een soortement van openluchtmuseum is. Er staat een enorme bevestigde opslagruimte voor graan, olijfolie en andere waren; een Wehrspeicher zoals ik jaren geleden in Wodarg, in Mecklenburg-Vorpommern heb opgegraven. Net als Wodarg stamde deze Wehrspeicher uit de 13e-14e eeuw (na Chr. wel te verstaan). In Noord-Afrika heten deze dingen een agadir. Het is een enorm bouwwerk, meerdere verdiepingen hoog met een stevige muur eromheen met een poort. Daarbinnen zijn meerdere langwerpige ruimtes, als kluisjes, waar dingen opgeslagen konden worden. Een agadir was een gemeenschapsproject van een dorp of familie, dat of die na het bouwen een opzichter aanstelde die voor de veiligheid verantwoordelijk was. Helaas hadden we maar weinig tijd om alles uitgebreid te bekijken, maar we wilden niet klagen omdat dit eigenlijk een ingelast bezoek was. Eentje die echt de moeite waard was.

De lunch, een picknick, vond plaats in de woestijn, langs de weg met uitzicht op een Italiaanse wachttoren en een vallei. We hadden eerder op de reis bij een winkel langs de weg ingekocht en dat met Rotel-stokbrood opgepeuzeld. We hadden zelfs yoghurt (in Egypte, Syrië en Jordanië heeft het ons altijd grote moeite gekost dat spul te vinden)!

Daarna ging de reis verder, waarbij Berthold een verhaal voorlas van de Arabische Tijl Uilenspiegel. Dit was ter bevordering van de siësta want volgens hem was er niets zo goed voor een busslaap als een vertelling door hem. Dat klopte. Aan het einde van het verhaal was de halve bus in dromenland. Het landschap was niet boeiend genoeg om wakker te blijven. Dit deel bestond uit rotswoestijn met tamariskstruikjes. De tamarisk is erg genoegzaam. Hij kan heel goed tegen droogte en zout water, net als dadelpalmen. De dadelpalm is één van de twee standbenen van de nomaden. Zij kunnen ongeveer 200 jaar oud worden en zijn het productiefst tussen de 40 en 80 jaar. Zelfs bij zoutgehaltes van 40 g/liter leveren zij nog vrucht. Hogere zoutgehaltes worden verdragen, maar dadels draagt de palm dan niet meer. Na 80 jaar wordt de palm meestal gekapt, de stam gehalveerd en ingezet bij de bouw. De bladeren worden voor vlechtwerk, touw enz. gebruikt.

Het tweede standbeen van de nomaden is de kameel (dromedaris). Hij heeft nauwelijks water nodig en verdraagt zout water, zelfs zeewater. Het water wordt in het weefsel vastgehouden en wel in voldoende hoeveelheid om het er zo’n 14 dagen op uit te houden. Daarna moet hij weer tanken: ongeveer 130 liter in een paar minuten. Hierdoor zwelt de kameel weer helemaal op. Vochtverlies is bij de kameel minimaal. Bovendien kan hij bijna alles eten. Je vraagt je af waarom Arabieren altijd kamelen willen ruilen voor een vrouw…

Het was een hele zit tot Ghadamès. Het was de bedoeling dat we daar bij een hotel, een paar minuten lopen van de oude stad, zouden overnachten. We waren al lekker gemaakt met het vooruitzicht van schone en goedwerkende douches en ook de buitenkant zag er goed uit. Op ons getoeter werd echter niet open gedaan. Akram de reisagent lukte het tenslotte iemand te pakken te krijgen. Hij kreeg te horen dat er geen water was en wij dientengevolge niet welkom waren. Dat was een domper. In plaats van hotel moesten we daarom maar genoegen nemen met de parkeerplaats van een jeugdherberg aan de andere zijde van Ghadamès. Alois, de buschauffeur, draaide de bus plus aanhanger op de smalle straat en ging op zoek naar de jeugdherberg. Deze was volgens Berthold niet zo goed en hij was er daarom al een paar jaar niet meer heengegaan. Het ding bleek echter enorm te zijn opgeknapt en was zelfs beter dan de jeugdherberg in Sabratha. De jeugdherbergen in Libië zien er allemaal hetzelfde uit, maar van binnen kan de kwaliteit behoorlijk wisselen.

De Rotel werd opgebouwd en wij gingen nog even een stukje lopen buiten het terrein van de jeugdherberg. Hier lagen brede asfaltstraten met een hoge stoep ernaast die op sommige delen niet af was of door zand en puin werd versperd. Wat zwarte Afrikanen zaten op de stoep of fietsten voorbij. Grote huizen zoomden de straten en in een gat in een huismuur, bedoeld voor de airconditioning, zagen we onze eerste Libische kat. Tot nu toe hadden we nog geen enkel huisdier gezien en alleen af en toe een mus of een kraai zien opvliegen of een kip zien rond pikken. En nu zagen we een heel schuchtere Libische kat. Hij verdween direct door het gat in de muur en kwam daar niet meer uit. Wij draaiden na een tijdje weer om en gingen kijken of ons avondeten al klaar was. Dat was bijna het geval. We kregen soep met knakworst. Ik probeerde mijn naam hoog te houden door de pan met worst, op aandringen van de chauffeur/kok Alois leeg te eten.

Omdat het om 19:00 uur al helemaal donker was, was het geen optie om buiten mijn dagboek bij te werken. In plaats daarvan mochten we in de grote hal van de jeugdherberg gaan zitten. De hal hier was een totale verademing in vergelijking tot de hal in Sabratha. Hier lag een reusachtig tapijt op de grond, de muren waren smetteloos wit en in de muren waren ondiepe nissen met stenen banken aangebracht waarop kussens lagen. Al gauw kwamen andere Rotelianers ons vergezellen. De tv stond aan met sport, waarna nieuws volgde en de Arabische versie van Cartoon Network. Het was goed om te zien dat onze veiligheidsagenten net als wij konden lachen om Tom en Jerry. Daarna kwam een Libische vrouw binnen die met een aantal van onze groep op de foto wilde, onder andere met ons. Dit was waarschijnlijk omdat Jessica maar weer aan het borduren was geslagen. De vrouw heette Achlan en zou ons de foto’s opsturen per e-mail. Als dank kreeg Jessica een smily die zij op haar jas spelde. Tegen 22:00 uur was het tijd om de Rotel op te zoeken en als een blok in slaap te vallen.

dinsdag, december 08, 2009

De grote Libië-reis

We zijn weer terug van weg geweest. Twee weken lang mochten we genieten van zand, Romeinen, stralend blauwe hemels en middagtemperaturen van rond de 20 °C en hoger. Twee hele weken zonder werk dat gisteren al af had moeten zijn. Alleen maar reizen, kijken en bezoeken. Begin dit jaar hadden we de nieuwe Rotel-catalogus doorgebladerd en onze vinger was daarbij blijven steken op de pagina van Libië. Waarom Libië? Wel, ten eerste staat daar nog zoveel Romeinse troep overeind dat je als archeoloog bijna wel verplicht bent daar naartoe te gaan. Ten tweede hadden we van een vriendin uit Wilhelmshaven gehoord dat het daar erg mooi moest zijn. En ten derde is het land toeristisch nog niet echt ontsloten, wat het mogelijk maakt nog iets van de landseigen cultuur te proeven. Over een paar jaar zou dat wel eens anders kunnen zijn, en wij hoopten Libië voor die tijd gezien te hebben. Er is ook nog een vierde reden: we houden van schurken staten. Syrië en Jordanië waren prachtig en heel anders dan je uit de media ervaart. We vermoedden dat dat in Libië niet anders zou zijn.

De komende weken zullen we proberen jullie het één en ander van Libië mee te geven. Jessica zal het relaas redigeren en de politiek behandelen, ik zal me met de meer smakelijke en onsmakelijke details van de reis bezig houden. Die reis vond plaats tussen zaterdag 14 november en zaterdag 28 november. Zoals gezegd, het was een Rotel-reis. Rotel is een budget reisorganisatie voor cultuurreizen uit Beieren. Het is vergelijkbaar met het Nederlandse Djoser, maar in plaats van in hotels slaap je in de aanhanger achter de bus. Na Egypte en Syrië en Jordanië was dit onze derde Rotel-reis. Vandaag de eerste reisdag.

Vlucht naar het Zuiden (zaterdag, 14.11.2009)
Paspoorten, visa, vluchtgegevens, dagboek … alles was ingepakt, we konden gaan. Na bijna een jaar wachten was de grote dag eindelijk aangebroken. Zoals bij elke reis begon de dag vroeg, heel vroeg. De wekker ging om 5:00 uur. Gelukkig bood Jessica aan om als eerste onder de waterstraal te gaan staan, in dit geval de douche. In Engeland zijn er namelijk meerdere mogelijkheden om een waterstraal over je heen te krijgen, bijvoorbeeld onder een kapotte dakgoot of een lekkage in huis of kantoor. Jessica’s aanbod gaf mij een extra 30 minuten om wakker te worden en naar het geplingplong op de wekkerradio te luisteren. We hebben namelijk een wekkerradio waarin je ook een CD kunt stoppen en op dat moment zat er een typische zweefwinkel CD in; rustgevende muziek van over de hele wereld. De rust was echter na een half uur definitief voorbij. En dat was maar goed ook want Stimpy de kat begon langzaam dol te worden. Hij had honger en maakte dat kenbaar door onophoudelijk en heel hard te miauwen.

We waren extra vroeg opgestaan want uit ervaring wijs geworden wisten we dat de laatste voorbereidingen altijd meer tijd kosten dan we dachten. Eerst moest de kat gevoederd worden en dan wij. Vervolgens moest de ontbijtboel weer opgeruimd worden alsook de was, die al een paar dagen in de kamer stond te drogen. Dan moest de nieuwe was uit de machine boven worden opgehangen. Een ander punt dat aandacht vergde was het klaarzetten van Stimpy’s eten voor de komende twee weken. Hij kreeg het niet in één keer (dat zou een overvette verhongerde kat tot gevolg hebben) want Angi, een collega van Jessica, had aangeboden op hem te passen. Dit alles zorgde er voor dat we aan het einde toch nog haast moesten maken. Stimpy kreeg nog een aai en wij beenden de deur uit op weg naar het station.

Op het station waren we vroeger dan volgens de dienstregeling noodzakelijk zou zijn. We hadden besloten een trein eerder te nemen. Dit was geen overbodige luxe in het land van de treinvertragingen. Dit maal, evenwel, ging alles naar plan. Eerst namen we de 6:45 trein naar Woking, waar we moesten overstappen op de trein naar Guildford en daar nog een keer wisselen voor de trein naar Gatwick Airport. Deze trein was al aardig gevuld met personen met grote koffers. Wij besloten daarom maar in het halletje bij de deuren te blijven staan met onze twee rugzakken, twee kleinere rugtasjes (nu omgetoverd tot buiktassen) en onze “Drei Tage Tasche” voor in de Rotel. Het zouden maar 40 minuten tot Gatwick Airport zijn, dus dat was nog wel uit te houden. De conducteur had echter medelijden met ons en nodigde ons uit om in de 1e klas te gaan zitten. Een goed begin! In Engeland heb ik nog nooit 1e klas gereisd en vergeleken met de 2e klas heb je zeeën van ruimte.

De hele reis stortregende het en op Gatwick was dat niet anders. Gelukkig was de route van het station naar het vliegveld overdekt en op een paar plaatsen met lekkages na kwamen we droog in de grote hal van het vliegveld aan. Vliegvelden zijn vaak doolhoven maar op Gatwick was de juiste incheckbalie snel gevonden. Dat was balie J van Afriqiyah. Deze was al open ondanks het feit dat we ruim twee uur van tevoren aanwezig waren. De rij voor ons was kort en het duurde niet lang voor het spannende moment daar was: zouden we wel of niet mee mogen? We hoopten alle noodzakelijke papieren te hebben. Daarover hadden we vaak genoeg naar Titling in Beieren getelefoneerd. Wij wilden namelijk vanuit London naar Tripolis en niet vanuit Düsseldorf, zoals de rest van de Rotel-groep. Volgens Rotel was alles in orde en we hoopten dat men er bij balie J ook zo over dacht. Mooi niet dus. Nee, er moest nog een extra schrijven bij het visum zijn met onze paspoortnummers erop. Dat hadden we niet. We hadden al het papierwerk dat we van Rotel hadden gekregen overhandigd. Wat nu gedaan? Nou, dacht de dame achter de balie, dan gaan we maar naar de grote baas achter de schermen. Dat was een Libiër en kon Arabisch lezen en dus zien wat er precies op onze visa stond. De dame verdween naar achteren met onze visa en wij wachtten en wachtten. De rij achter ons groeide gestadig en wij wachtten nog steeds. Uiteindelijk kwam de dame terug. De grote baas had de visa gelezen en en passent haar zijn hele levensverhaal verteld. Dat kwam ons bekend voor als zijnde iets typisch Arabisch. Gelukkig had de baas ook gezegd dat onze visa in orde waren en dat we waardig bevonden waren Libië te betreden. We mochten onze rugzakken bij de oversize luggage afgeven, waarna de douane aan de beurt was. Zoals alles in Engeland ging dat heel omslachtig. Eerst moesten we het begin van de rij zoeken. Vervolgens kwamen we aan het einde van de rij weer in de hal terecht waar we ons voor de rij hadden aangesteld. Nu zagen we echter een stel mensen met geel reflecterende jassen die riepen dat we de bordjes met de blauwe punt moesten volgen. Er volgde een soort paaltjesroute op het vliegveld. Leuk, maar wel sneu dat er overal mensen stonden die ons precies vertelden wat we moesten doen. Na nog meer wachten in een Engelse rij (Engelsen proberen WEL voor te dringen…) mochten we door de douane en de detectiepoortjes. Probleemloos dit keer. En zo eindigden we in de tax-free ruimte en gingen we op zoek naar koffie met iets erbij. We vonden namelijk dat we dat na al dat gedoe met het inchecken en de douane wel verdiend hadden.

Een latte en chocolademelk en twee amandelcroissants later was het tijd om de rest van de winkels te onderzoeken. We hadden zeeën van tijd want het vliegtuig was een half uur vertraagd. In plaats van 10:30 uur mochten we pas om 11:00 uur naar gate 19. Daar was een enorm lange lounge en het duurde zeker tot 12:00 uur tot we het vliegtuig binnen mochten. En toen we mochten was het interessant te zien hoe goed ook Afrikanen in voordringen zijn. Al de Westerlingen op de vlucht naar Tripolis bleven rustig zitten terwijl onze gekleurde medemensen niet wisten hoe snel ze naar voren moesten stormen. Totale onzin natuurlijk want het vliegtuig zou echt niet zonder ons vertrekken.

Door de regen en het onweer (ja, het bliksemlicht ging dwars door de slurf heen!) moesten we langer dan gepland aan de grond blijven. Vliegtuigen mochten niet landen en wij de lucht niet in. Rotel zou langer in Tripolis op ons moeten wachten dan ze misschien zouden willen. Aan de andere kant, wie weet moesten ze in Düsseldorf ook wachten vanwege het weer.

Twee uur later dan gepland vertrokken we van Gatwick. Het was een hobbelige vlucht maar gelukkig niet zo erg als de piloot ons eerder in de lounge had toegefluisterd. Waarom hij het nodig had gevonden ons dat te vertellen, weet ik niet. Misschien omdat we als één van de weinige passagiers rustig op onze stoelen waren blijven zitten.

Eenmaal door het dikke wolkendek boven het eiland en de Noordzee heen werd het boven Frankrijk rustiger. Kort voor de Alpen werd het weer hobbelig. De riemen moesten weer vast en het eten dat net werd rondgebracht, ging weer naar de keuken. Gelukkig slechts voor korte tijd want we hadden behoorlijk honger gekregen. Voor in het vliegtuig was het een copieuze en goede maaltijd met rijst en rundvleeskerrie, zalm, brood en kaas. Van dit tweede gehobbel hadden we niet veel last want er was een entertainment systeem aan boord. Ieder had een scherm in de leuning van de stoel voor haar of hem. Eerst hebben we ons wat Arabische muziek aangedaan, maar dat was een beetje saai. Daarna zijn we overgeschakeld naar Hollywood films. We hebben “Yes men” gezien, aangepast aan de Arabische smaak. Dat wil zeggen, vrouwen waren van boven afgeplakt, knuffelscènes verdwenen en kerken vervangen door moskeeën. Niettemin, leuk om te zien.

Tegen 19:00 uur locale tijd landden we in Tripolis. Kort voor het einde van de vlucht moesten we allemaal een gezondheidsverklaring invullen. Waar kwamen we vandaan, waarheen gingen we, waarom, enz.? Bij de uitgang van de slurf werden we al opgewacht door medisch personeel met een mondkapje. Dat zag er een beetje vreemd uit, vooral omdat het veiligheidspersoneel eromheen dat niet had. Anders dan het veiligheidspersoneel in Egypte en Syrië had men hier evenwel geen schiettuig onder handbereik. Dat was een aangename verandering. Ondanks het rookverbod stonk het er enorm naar sigaretten. Er werd ons in gebarentaal vriendelijk doch dringend verzocht een bepaalde route door de ontvangsthal te volgen. Daarna werd er gesplitst in blijvertjes en transit-passagiers. Onze passen werden gecontroleerd en vervolgens werden we naar een kantoortje aan de zijkant van de hal verwezen. Daar kregen we na een tijdje wachten allebei een stempel in onze pas. De volgende stap was de zoektocht naar de bagageruimte, waar je alleen na een volgende pascontrole kon komen. We kenden de routine ondertussen want ook daar moesten we wachten. Op het vliegveld van Tripolis zijn twee lopende banden. Eentje bewoog zich en daarop stonden een paar ondefinieerbare pakketten, gewikkeld in huishoudfolie. De onze stond stil en de menigte was zichtbaar ongeduldig. Wij ook trouwens. We konden de uitgang zien en de mensen die daar stonden te wachten. Eén daarvan had een rood Rotel-bordje. Wij zwaaiden en er werd teruggezwaaid. Dat was een opluchting: ondanks de vertraging werden we dus toch nog opgewacht. Na nog meer wachten kwam de lopende band dan eindelijk in beweging. Eerst maakte een enkel pakket een ererondje om ons lekker te maken, daarna volgde de rest. We plukten de rugzakken en de “Drei Tage Tasche” van de band, deponeerden dat alles op de lopende band voor de scanner bij de uitgang en liepen vervolgens onze vrijheid tegemoet. Nou ja, vrijheid, we mochten met iemand met een Rotel-bordje mee. Dat was een ander iemand dan de persoon die we eerder hadden gezien (dat bleek later Berthold, de Rotel-reisleider te zijn geweest). En die iemand sprak geen woord Engels of Duits, maar wat dan wel kwamen we niet te weten want hij zei niets.

Buiten aangekomen kregen we last van een déjà vu. Het vliegveld zag er van buiten precies hetzelfde uit als dat van Damascus. Het had dezelfde architectuur en dezelfde soort monumenten ervoor. We gingen linksaf de straat uit, dan weer rechts over een wat drukkere weg met rechtsverkeer en daarna een obscuur weggetje in een parkeerplaats op. Het was er donker en de parkeerplaats natuurlijk niet geplaveid. Dit was een typische aangereden zand- en kuilpiste. En daar stond een bus. Niet DE Rotel-bus maar een lokale bus met Rotelianers erin. Zij hadden daar ongeveer een uur op ons gewacht. Zij waren weliswaar twee uur eerder dan ons geland, maar het afhandelen van de visa had bij hen erg lang geduurd. Gelukkig waren ze niet gepikeerd want dat zou wel een heel slecht begin van ons samenleven zijn geweest. De groep bestond uit 25 personen plus een Libische touragent (Akram) en twee veiligheidsbeambten (Hassan en Feisal, 25 en 36 jaar oud). De reisleider heette Berthold en reisde al 10 jaar zo’n twee tot drie keer per jaar naar Libië. Dit alles kregen we op weg naar onze eerste overnachtingplaats, de jeugdherberg van Sabratha, te horen. Het was erg luid in de bus en Berthold sprak wat zachtjes dus het was slecht te verstaan, maar Jessica haalde het meeste er wel uit.

De wegen waren best goed en Berthold stelde ons gerust door te zeggen dat hij de weg die de chauffeur nu reed niet kende. Gewoonlijk reden ze over de grote weg, nu ging het dwars door de voorsteden van Tripolis. Dat gaf ons ieder geval de gelegenheid om alvast iets van het leven in Libië te proeven. We zagen betonnen blokkendozen aan weerzijde van de wegen die aan één zijde open waren en vol stonden met allerlei waren. Dat waren de kruideniers, bakkers, mobiele telefoon winkels enzovoorts. Daartussen waren kappers en theehuizen. Er was heel wat manvolk onderweg. De vrouwen waren opvallend afwezig. Afwezig waren ook de gewapende agenten en militairen die we met name in Egypte in overvloed op elke straathoek hadden gezien. Dit maakte een meer ontspannen indruk.

Na een uurtje kwamen we bij de jeugdherberg aan. Dat was een groot, rechthoekig gebouw met een verhoogde gevel in het midden en een tuin aan de voorkant. Het was gebouwd in 1950 of zo, een keertje uitgebreid in de 70er jaren en daarna was er nooit meer iets aan gedaan. Op de parkeerplaats aan de zijkant van het complex zagen we de Rotel-bus en de aanhanger al staan. De aanhanger was al uitgeklapt zodat we direct naar bed konden als we wilden. Ons was onze favoriete slaapplek weer toegewezen: een dubbele cabine rechts bovenaan zodat mijn uitstekende voeten niemand tegen het hoofd zouden stoten. Natuurlijk wilde niemand al gaan slapen. We moesten nog bedenken wat we de komende drie dagen nodig zouden kunnen hebben en de “Drei Tage Tasche” ompakken, zodat de rugzakken onder in de bus konden worden opgeborgen. Bovendien moest er nog gegeten worden, wat eerste prioriteit had. We zetten daarom de rugzakken bij de bus neer en zetten ons aan de lange tafel in de grote zaal van de jeugdherberg. Dat was een rechthoekige, hoge zaal met grote deuren aan één van de lange zijdes naar buiten toe en een lange rij aan elkaar geschoven tafels in de breedte, bedekt met een strak plastic tafelzeil. Het geheel werd gezellig door TL-balken verlicht. Hierdoor viel op dat het zeiltje sinds de 70er jaren waarschijnlijk geen poetsdoek meer gezien had. We veegden ons plekje schoon met wat poetsdoekjes en kregen achtereenvolgens een salade bestaande uit sla, komkommer, tomaat en olijven. Dan malse kip, aubergine, piepers en rijst (echt heel goed!). En als toetje een banaan. Ook kregen we een blikje frisdrank en een flesje water. De salade lieten we, op de olijven na, staan want we hadden geen zin om gelijk op de eerste dag met maagkrampen rond te lopen.
Daarna ging Berthold geld incasseren voor visa, entree-gelden en wisselgeld in Libische munteenheid, de Libische Dinar. Een stuk lichter zijn we vervolgens de “Drei Tage Tasche” gaan pakken en de Rotel-cabine gaan klaarmaken voor de nacht, dat wil zeggen het muskietennet moest worden opgehangen en alle mogelijke andere benodigdheden zoals toilettas en zaklamp daarin worden opgeborgen. Het was weer even wennen om omhoog te klauteren en ons in een draaiende beweging de 70 cm hoge ruimte in te laten glijden. En dat zonder de Rotel teveel op zijn veren te laten schudden. Maar het lukte en tegen 11:30 uur sliepen we als een blok.

dinsdag, oktober 20, 2009

Apgen goes uitzending gemist en ik goes Buddhist

Jaja, jullie kunnen nu met eigen ogen zien en beleven wat het apgen nou eigenlijk inhoud. We staan namelijk gezellig op www.uitzendinggemist.nl met een enthousiaste promotie-film. Al wel een paar jaar oud, maar dan nu toch online. Je kunt de video hier zien: http://www.uitzendinggemist.nl/index.php/serie?serID=4326&md5=d07392ad751323ba2c852ed0547f0930.

Afgelopen weekend was ik te gast op Hilfield Priory (http://www.hilfieldproject.co.uk/jumpoff.htm). Dit is een kloostergemeenschap van de Franciscanen. Ze doen met name veel voor het milieu en de interreligeuze dialoog. Zo hebben ze al een keer een islamitische mileu-organisatie op bezoek gehad (sla je lekker twee vliegen in een klap!). Er leven momenteel vier heel gezellige broeders op Hilfield, maar tot voor kort waren dat er nog 20. Het leven als monnik is echter een uitstervend beroep. De rest van de gemeenschap wordt dan ook gevormd door vrijwilligers en mensen van de "derde orde". Dit laatste zijn mensen die wel in de gemeenschap leven, maar alleen een beperkte belofte hebben gedaan en dus bijvoorbeeld ook best getrouwd kunnen zijn.

En dit weekend werd er dus een Christelijk-Buddistisch retreat gehouden. Op het station van Sherborne wist ik meteen met wie ik mee moest rijden: Broeder Hugh stond er in vol ornaat! Samen met de tuinman reden we door het prachtige Hampshire naar de Middle of Nowhere. Hilfield is een voormalige boederij waar gastenverblijven, werkplaatsen en groententuinen bij zijn gekomen. Ik had cake gebakken en daar waren ze erg blij mee. M'n kamer lag in gastenhuis Leo en had een heuse schommelstoel!

Na de thee begon de eerste sessie waarin we ons aan elkaar voorstelden. We waren met een man of 15 en iedereen kwam van een andere christelijke achtergrond. Het retreat werd geleidt door Katie (al dertig jaar Buddhist) en Elizabeth (na 30 jaar non, nu hoofd van een christelijk-buddhistische organisatie http://buddhist-christian.org/index.html ). Een gouwe team! Na het avondeten vond de eerste meditatiesessie plaats. Dat was even wennen. Ik heb begin dit jaar geleerd te mediteren met je ogen dicht en met behulp van een mantra. Daarmee zou je dan stilte in je hoofd kunnen krijgen. Nou, ik bleek steeds beter te kunnen multi-tasken: mantra en een stroom gedachten op hetzelfde moment. Nu leerden we te mediteren op de buddhistische manier: ogen open en gedachten gewoon te erkennen en dan te laten vallen. Het werd gelijk een stuk rustiger in mijn bovenkamer. Na de meditatie kon je eventueel naar de mis in de kapel, maar ik was er al achter (tijdens evensong) dat dit niet mijn kopje thee was. Ja en toen begon de stilte tot na het ontbijt de volgende morgen.

Om zeven uur 's morgens begonnen we weer met een meditatie. Eerst 20 min zitten, dan 10 min lopen en dan weer 20 min zitten. Nou, die eerste 20 min die gingen nog wel. Lopen was al vervelend, want een aantal mensen in de groep bleek dat niet echt te kunnen. Het was de bedoeling dat je met aandacht in een cirkel rond de stoelen ging lopen. Maar al gauw ging de flow er een beetje uit. Het was nog een beetje onwennig. De tweede 20 min waren de langste van m'n leven en ik werd er lekker opstandig van. Daar kwam de calvinistische aap uit de mouw: gij zult nuttig zijn. Zijt gij niet nuttig, dan treedt regel 1 in werking. En dat is nou de hele grap van meditatie: het heeft geen ander doel dan met aandacht aanwezig te zijn. De hoogste vorm van niksen. Calvijn het raam uit: op naar de verlichting! Nee, eerst maar eens even zwijgend ontbijten.

Daarna een sessie over onze ervaringen met de meditatie en een inleiding op het buddhisme en hoe dit te verenigen met je christelijke achtergrond. Daar bleek al gauw dat ik een enorme geluksvogel ben. Ik ben namelijk groot geworden in het apgen en dat heeft geen dogma's (al wordt er wel eens gegrapt dat dat ook een dogma kan zijn...). Dit zorgt er voor dat ik heel vrij en onbevangen tegenover andere geloofssystemen sta en niet meteen het idee heb dat door me in een ander systeem te verdiepen ik m'n christelijke achtergrond verloochen. Anderen hadden daar soms wel veel last van en dat was eigenlijk best aangrijpend om te zien. Geloof kan soms heel erg beperken en een hoop beschadigen. Tijd voor de volgende lange meditatie sessie. En die ging al veel beter.

Na de sessie was het weer tijd voor een mis. Ook dit keer zonder mij. In plaats daarvan had ik een prive meditatie sessie met Elizabeth. Daarin leerde ik nog beter m'n lijf te ontspannen en de lopende meditatie was nu echt heerlijk. Lekker geen opstoppingen maar echt met aandacht je ene voet voor de andere zetten. Daarna hadden we vrij tot na de thee in de late middag. Het was de bedoeling dat we de tijd gebruikten om met aandacht iets te gaan doen. Ook moesten we minstens 20 min doelloos gaan wandelen. Dat was echt heerlijk, want Hilfield ligt in een prachtige omgeving. Dus heb ik veel vogeltjes gehoord en gezien en prachtige plekjes bezocht. Alles zonder vooropgezet plan. De lunch tussendoor werd ook in stilte gegeten en dat was weleens heel goed. Dan concentreer je je eens op wat je eet.

Na de thee was er weer een sessie en mochten we vertellen wat we die middag hadden gedaan en beleefd. Best interressant om te horen dat een aantal mensen het heel bedreigend had gevonden om zonder kaart een klein eindje te gaan lopen. Na een korte pauze was het weer tijd voor een meditatie sessie. En dan lekker avondeten.

Na het avondeten heb ik de broeders geholpen met afwassen. Broeder Hugh moet ongeveer midden-veertig zijn geweest, terwijl Broeder Eric ongeveer mijn leeftijd had. Broeder Samuel moet tegen de zeventig geweest zijn. Samen met de kok, een dolle boel. Vooral met Broeder Eric had ik vanaf de eerste dag een leuke klik. Hij kwam uit Amerika en kon een broertje van Paul de Leeuw zijn. Heel bijzonder: daar was 'ie nog open over ook. Tijdens het eerste avondeten hadden we een heel leuk gesprek over de Amerikaanse politiek en de homoscene in Amsterdam. Zo veel als z'n werkzaamheden dat toelieten, was Broeder Eric ook deel van het retreat. Na de afwas, was het weer tijd voor een sessie over het Buddisme. Daarna volgde de mis en kon het grote zwijgen weer beginnen.

Ook de zondagochtend begon weer met een meditatie om 7 uur. Daarna konden mensen naar de mis en vervolgens werd er weer in stilte ontbeten. Tijdens de laatste sessie konden mensen vertellen hoe ze het weekend hadden ervaren en wat hun toekomstplannen waren. Het bijzondere aan de groep was dat we vanaf het eerste moment het gevoel hadden dat we heel veilig waren bij elkaar. En dat is erg bijzonder want we hadden elkaar nog nooit gezien en hadden heel verschillende achtergronden. Als laatste was er nog een korte meditatie-sessie en na de lunch ging iedereen weer naar huis. Ik had het geluk samen met Katie en Elizabeth de trein richting Londen te delen. Heel bijzonder om met deze twee kanjers nog eens even na te kunnen praten. Elizabeth heeft me al uitgenodigd om vooral naar Londen te komen om lekker samen thee te drinken. En dat ga ik zeker doen!

woensdag, september 23, 2009

Avontuur met een snaveltje

Afgelopen zaterdag was een dag van uitzonderingen. Positieve uitzonderingen wel te verstaan, maar dat is iets dat de trouwe lezers van dit blog waarschijnlijk al direct begrepen hebben. Standaard heeft alles hier namelijk een negatieve zijde. De eerste uitzondering betreft het weer: voor de verandering was het eens een keertje mooi. De weersverwachting had op vrijdag nog over bewolking met korte, zonnige perioden gesproken, maar dat bleek op zaterdag meer zon met hier en daar wat wolken te zijn. Dat deed het gemoed goed.

Jessica wilde weer een keertje weg en had een uitvlucht naar de Hawk Conservancy in Andover gepland. Andover ligt relatief dicht bij Salisbury en is met de trein makkelijk in zo’n 15 minuten te bereiken. Bij de conservancy zelf is het moeilijker te komen. We hadden de mogelijkheid om eerst 10 minuten naar de dichtstbijzijnde bushalte te lopen, dan 15 minuten met de bus te gaan en vervolgens nog zo’n 10 minuten naar onze bestemming te lopen. Of we konden een taxi nemen. We hebben de laatste optie maar genomen en waren binnen 10 minuten daar waar we wilden zijn.

Volgens de website van de Hawk Conservancy kon je bij hun de hele dag bezig zijn. Nou, daar hadden wij natuurlijk onze bedenkingen over. Maar het was waar. Ongelogen. Het was de beste attractie, als je het zo mag noemen, die we tot nu toe in Engeland bezocht hebben. Het was er schoon, het personeel hulpvaardig en enorm enthousiast (!) over het werk dat zij deden. Voor degenen die niet weten wat een hawk conservancy is, dit is een opvangcentrum voor roofvogels. Bedreigde soorten die bij de douane in beslag worden genomen, kunnen hier opgeppeld worden, net als gewonde en andere hulpbehoevende roofvogels. De gangbare soorten worden daarna weer uitgezet, de zeldzamere exemplaren blijven in het centrum.

In volières van verschillende groottes zaten uilen, gieren, valken en wat dies meer zij. Er was een programma voor de hele dag. Eerst werden reigers en valken gevoerd op een groot stuk open land. Je zat in een houten barak en kon via luikjes naar het voederen kijken. Dat was eerlijk gezegd niet zo bijzonder. Iemand liep met een emmer met weet ik wat naar het midden, schudde de emmer leeg en liep weg onder het luiden van een bel. Twee valkjes kwamen er op af en een hele bende reigers. Dat was best een leuk gezicht, al die reigerkopjes boven het gras en struikgewas. Vervolgens was het voederen der gieren aan de beurt. Die kregen grote stukken vlees. Daar wil je niet tussen zitten als ze aan het grote hakken en zagen beginnen! Het vlees was in een mum van tijd van het bot gepikt. Het derde programmapunt was de vliegshow van enkele kleine roofvogels. Er was een valkje dat meer rende dan vloog en dat een heel parcours af ging waarbij hij zijn eten onder stenen, potten en van een waslijn haalde. Dan toonden snelvliegende vogels met kromsnavel hun kunnen door aas aan een rondslingerend koord te grijpen, en er was een rennende secretarisvogel (een soort struisvogel zeg maar, maar wel eentje die kan vliegen). Als afsluiting was er een dwerguiltje, dat je op je hand mocht houden, en een race tussen vijf Indian running ducks. Zij moesten van de ene kant van het veld naar een kom sla aan de andere zijde rennen.

Vervolgens hebben we een broodje gehaald bij het restaurant en hebben dat genoeglijk in het zonnetje opgepeuzeld. Op naar de vierde show. Dat was de vliegshow van de grote roofvogels. Zeearenden en gieren kwamen onder andere aan bod. We zaten op een tribune en op een gegeven moment vlogen de gieren van de ene kant van die tribune naar de andere kant. Er werd ons gezegd dat als je dacht dat zo’n vogel tegen je aan zou vliegen, die vogel ook echt tegen je aan ging vliegen en dat je dan beter weg kon duiken. Ook in zittende positie ben ik best lang en duurt het even voor ik onder ben en heb dan ook een paar keer vleugels tegen mijn hoofd gevoeld. Gelukkig niet de snavel! Optioneel was er daarna de mogelijkheid een valk op je hand te laten landen. Overbodig te zeggen dat we daar natuurlijk voor te porren waren. Je verwacht dan een aardig gewicht op je hand, maar zo’n beestje bestaat voornamelijk uit veren en weegt bijna niets.



Als laatste programmapunt was er nog een vliegshow met roofvogels die in een meer bosrijke omgeving opereren zoals uilen. Wat zijn die beesten stil zeg. Je hoort ze echt niet! En ook deze dieren vliegen recht tegen je aan als je niet tijdig bukt. Dat maakt het nog lastiger om ze te fotograferen, vooral ook omdat ze zo ongelofelijk snel zijn. Al met al was dit een uitermate geslaagd dagje uit.

donderdag, september 03, 2009

Mouse of destruction en andere verhalen

Ja, die muis komst straks pas; eerst even braaf verder lezen. Afgelopen weekend was hier een lang weekend vanwegen de zomer-bank-holiday. Nou, die zomer hebben we hier dit hele jaar nog niet echt gezien... Maar goed, mag de pret niet drukken. Op zaterdag zijn we naar Bath geweest. Wel met wat vertraging, want de kaartjesautomaat wilde de pinpas niet herkennen. Wij naar de bank, want we dachten dat dat aan de blokkering van de pas door Tries lag, eerder die week (zie een blogje terug). Nee, bleek aan de kaartjesautomaat te liggen. Wij dus maar extra cash uit de muur getrokken. Het plan was om eerst een stuk te gaan wandelen rond Bath, dan lekker te gaan eten en tot slot twee uurtjes bijkomen in het beroemde water. Nu weten wij dat plannen tricky is op dit eiland, maar optimisten als wij zijn...

De wandeling begon leuk. Naar het begin van de Skyline Walk lopen ging via de vele kanalen die Bath rijk is. Leuk met bootjes en sluisjes en lekker in de zon. Eenmaal het punt gevonden, konden we aan de eigenlijke wandeling van 10 km beginnen. Kaartje en beschrijving erbij; wat kan daar nou mis gaan... Het bleek al gauw dat de Engelsen zelf de route behoorlijk mijden want hij was totaal overgroeid met brandnetels en bramen. Gelukkig waren we hierop voorbereid en dus van top tot teen ingepakt. In het begin kwamen we ook nog met enige regelmaat pijltjes tegen die we moesten volgen. Volgens de routebeschrijving was de wandeling heel goed aangegeven met deze pijltjes... Maar al gauw waren we ze kwijt. En toen zijn we dus ook verkeerd gelopen. We hebben maar ongeveer de helft van de route gezien. Die was wel mooi en ging door de bossen rondom de stadskern van Bath met prachtig uitzicht over de stad. Ook kwamen we langs een klein nepkasteeltje uit de 18de eeuw; meer een soort decorstuk. Af en toe was het flink klimmen, want Bath ligt in een dal. De vergezichten over het omringende platteland waren ook spectaculair. Maar wij waren inmiddels stik chagerijnig en wilde nog maar een ding: High Tea.
Op naar ons favoriete plekje: Hands Tearooms (http://www.handstearoom.co.uk/). De High Tea bestaat daar uit: thee/koffie naar keuze, sandwhich naar keuze, scone met cream en jam, cup cake, brownie en luxe chocoladekoekje. Daar ben je wel even zoet mee. En omdat we jullie ook wat gunnen, hebben we er een foto van genomen!

En daarna was het puur genieten in het 33,5 graden warme water van het Bath Spa (http://www.thermaebathspa.com/). Heerlijk! Vooral de waterfall shower is bij mij favoriet. Maar de steamrooms zijn ook heel lekker en het uitzicht op de abbey vanaf de rooftop pool is ook niet verkeerd. Zelfs Tries houdt wel van Bath Spa. Je kunt er tenslotte niet zwemmen...




Onze vrije maandag hebben we doorgebracht op Wilton House (http://www.wiltonhouse.com/). Vanaf Salisbury is dat een uurtje lopen langs een mooie weg. Alleen het laatste stukje is effe lastig; als je tenminste niet platgereden wil worden bij de Earl van Pembroke op de stoep. In de voormalige manage van het landgoed is een film over de geschiedenis te zien en zijn de wasserij en een Tudor keuken nagebouwd. Het eigenlijke huis staat vol met antiek, antieke sculpturen en kunst. Vooral de antieke sculpturen zijn een must voor iedere klassieke archeoloog. De Earl heeft meer echte beelden dan het RMO. Wel jammer dat er verder geen uitleg bij staat en dat alles als kunst wordt gepresenteerd. Dan mis je toch wel de context. Wat mij betreft wordt het tijd dat de Earl ze aan het British Museum kado doet. Samen met de romeinse sarcofagen en steles. Ruimt lekker op.

De prenten en schilderijenverzameling mag er ook wezen. Holbeintje hier, Italiaanse meester daar, Rembrandtje en daartussen natuurlijk de echte winters van Brueghel en de bootjes van Van derVelde. Bovendien heeft de Earl de grootste verzameling Van Dycks. En de kamers zelf mogen er ook zijn. Na het huis, was het tijd voor een rondje door de tuin. Daar staan vooral kolossale bomen met mooie silhouetten. En er is een rozentuin met rozen die heel lekker ruiken. De Japanse watertuin mocht natuurlijk ook niet ontbreken. Al met al een geslaagd dagje uit!


En dan nu het verhaal van de muis. Kom ik vanmiddag thuis na een dag hard werken. Plof op de bank met een artikel over bewerkt bot uit Hongarije; hoor ik steeds een raar geluid. Nadat ik het artikel uit had, ging ik maar eens op onderzoek. Zit de kat voor een van de keukenkastjes. Wolkjes meel ontsnapten via de kier tussen het kastje en het deurtje. En weer dat rare geluid. Kastje voorzichtig opengetrokken en daar een enorme chaos aangetroffen. Ook schoot er iets weg. Stimpy door het dolle heen. De muis had eerst maar eens het volkoren zelfrijzend meel uitgeprobeerd, toen de linzen, ook de suiker en de bloem en dan natuurlijk nog de mungbonen. Van vreugde had de muis maar even over het volkorenmeel gepiest... Ik m'n ouders bellen; die hebben tenslotte wel vaker muizen gehad. Nog tijdens het telefoongesprek keken mij twee guitige oogjes van onder het keukenkastje aan. Echt met zo'n blik van "kan het deurtje dicht, dan kan ik in rust verder eten"...

Inmiddels zijn alle aangeknaagte etenswaren weggegooid en zit al het andere in muisdichte bakken en blikken. Het gat in de achterkant van het kastje voor de hoofdkraan is vakkundig dichtgestopt, dus muis heeft het nakijken. Stimpy blijft het een leuk kastje vinden!