vrijdag, april 02, 2010

Achter de geraniums

Niet dat we geraniums (lat.: Pelargonium) voor het raam hebben staan, maar het geeft aan dat we op het moment gezellig binnen zitten. Op een kort intermezzo na, regent het hier sinds twee weken in verschillende mate van heftigheid. Het is altijd een grote verrassing voor ons om 's morgens het gordijn open te trekken en ... jawel, het is grijs! Vanochtend was het niet anders. Je krijgt er het Jules Deelder dicht-gevoel van:

Grijs
Grijs, grijzer, grijst,
niets dat naar de zon verwijst.
Grijzer kan niet zijn,
dat past niet in mijn brein.

Waar waren we ook alweer gebleven? De 19e was mijn laatste werkdag in Nottingham. Helaas, want het heeft me daar heel goed bevallen wat betreft baan en collegae. De stad zelf is een standaard industriestad, de meest criminele van het eiland naar het schijnt (niet dat ik er iets van gemerkt heb). Vrijdagmiddag heb ik de deuren achter me dicht getrokken en ben met de trein naar Salisbury gegaan, zoals elk weekend. De volgende dag zijn we met een busje terug gegaan om al mijn spullen op te halen. Je staat altijd weer te kijken van de hoeveelheid troep die je in korte tijd kan verzamelen. Nu bestond deze "troep" voornamelijk uit de boeken die ik in de loop van de tijd per trein van Salisbury had meegebracht om het chronisch ruimtetekort hier in huis wat te verlichten. De hele weg regende het pijpestelen wat het rijden niet echt leuk maakte. Kort voor Nottingham maakten we een ommetje naar Jessica's lievelingswinkel Ikea om verhuisdozen te halen. Die hadden we hard nodig want onze eigen exemplaren hadden door de vele verhuizingen toch enigemate te lijden gehad. Om 15:30 waren we eindelijk op de plaats van bestemming (vanwege de drukte bij het autoverhuurbedrijf reden we een uur later weg dan gepland, verder rij ik standaard een paar keer fout en dan waren er ook nog een stel files) en konden we de dozen gaan pakken, acht in totaal. Daarbij kwam nog mijn bed-bank. Om 18:00 vertrokken we weer en waren tegen 23:00 terug in Salisbury. De wagen hebben we mooi ingepakt laten staan op een parkeerplaats in de buurt want daar waar wij wonen bestaat ook een chronisch gebrek aan parkeerruimte.
De volgende morgen vroeg hebben we de wagen uitgeladen en zijn naar Wessex Archaeology gereden om Jessica's spullen op te halen. Voor degenen die het nog niet wisten: Jessica heeft haar baan opgezegd vanwege de ongelooflijk slechte werksfeer en het gebrek aan vertrouwen. Jessica had 16 dozen nodig voor haar troep. Ergo, in ons huis moesten 24 dozen een nieuw onderkomen vinden. Hierbij was alleen de begane grond een optie vanwege de niet al te stevige constructie van dit stulpje. We hebben de dozen zo vol mogelijk gepakt en staan nu netjes opgestapeld in het hok achter de keuken. We hopen dat de boel droog blijft want anders gaat er een kapitaal aan papierwerk verloren...

Vervolgens hebben we de bed-bank van hier omgewisseld voor het nieuwere exemplaar uit Nottingham en zijn met de oude naar een vriendin in Ringwood gereden die deze graag wilde hebben. Daar kregen we een lunch aangeboden en zijn goed gevuld teruggegaan naar Salisbury. De maandag daarop heb ik de wagen weer afgegeven en begon mijn werkloosheidsbestaan. Op zich heeft het wel wat hoor: niets hoeft meer (nou ja, ik moet nog wel een paar artikelen schrijven maar met al de naslag-literatuur in dozen is het lastig werken). Jessica heeft nog tot donderdag gewerkt en heeft toen bij Wessex de deur dichtgetrokken. Ik ben ondertussen nog aan het solliciteren en had afgelopen dinsdag een sollicitatiegesprek bij English Heritage in Portsmouth en heb twee andere in Nederland komende donderdag. We zullen wel zien wat er van komt. We genieten gewoon nog even van het niets moeten doen.

Zo zijn we woensdag naar de Johannes Passion in de kathedraal geweest. Er werd heel mooi gezongen. Jammer alleen dat er niet zoveel mensen waren. Op de terugweg door de regen zagen we vlak bij huis een fiets in het kanaal liggen. "Wat zonde" zeiden we nog en liepen verder om even later door een luid geschreeuw staande te worden gehouden. Een van onze medebewoonsters aan het water had zojuist haar boodschappen naar binnen gedragen om te merken dat in de paar minuten dat ze binnen was, iemand of iemanden haar fiets in de Avon hadden geworpen. Jessica bood grootmoedig aan dat ik wel even het water in zou springen om de fiets eruit te halen. Er zat voor mij dus niets anders op dan om naar huis te gaan om m'n rode kaplaarzen te halen. "Het water is niet zo diep" zei ze nog. Nee, was het ook niet, maar ieder geval wel dieper dan mijn laarzen hoog waren. Ik heb altijd al eens bij nacht in de regen in de Avon willen springen. Nu had ik mijn kans. Wel, het water is ijskoud en het stroomt erg snel. Bovendien is het erg lastig om met twee watergevulde laarzen zo'n 2,5 m omhoog te springen, maar met twee dames die aan mijn armen sjorden ging het wel. Dat was een mooie afsluiting van een regenachtige dag.

De volgende dag was het tegen alle verwachtingen in droog. Daar moesten we gebruik van maken en Jessica stelde een dagje Bradford upon Avon voor. Dat is een half uurtje met de trein van hier in de richting van Bath en Bristol. We hebben een prachtige wandeling langs het kanaal gemaakt, af en toe zowaar in de zon (dat is een bol die vroeger vaak aan de hemel stond en licht en warmte gaf). Je merkt het echt wel als je een tijdje niet in beweging bent geweest en dan weer een stuk gaat lopen. Al met al een geslaagde dag. En vandaag dus weer een geranium-dag. Jessica is druk in de weer met postzegels en ik type wat lettertjes met de kat snurkend naast me. Heel burgerlijk...

zondag, februari 14, 2010

Dutch spliff bird in tree

Het is al weer een tijdje geleden dat jullie konden lezen over onze avonturen op het eiland. Sinds januari ga ik wekelijks naar de Royal School of Needleworks gevestigd in Hampton Court Palace om professioneel te leren borduren. Patrice is bezig z'n post-doc in Nottingham af te ronden en solliciteert zich suf naar de volgende baan. Daar zal tzt ook wel weer een verhuizing aan vast zitten. Wie wil het niet...
M'n eerste grote werkstuk is inmiddels bijna af. Het gaat om een wol- en linnentechniek in de Jacobijnse stijl (Jocobean Crewel Work). Erg leuk om te doen. Het werk heeft een stuk of 25 verschillende steekjes en moet gezien worden als een merklap. Patrice heeft het ontwerp gemaakt en ik het kleurenschema. Prima samenwerking!

Komende vrijdag ga ik aan m'n volgende techniek beginnen: gold work. Dit wordt veel gebruikt in religieus textiel. Waarschijnlijk ga ik een keltische knoop maken. Goud op groene zijde. Jullie zullen het resultaat hier vanzelf aantreffen!

zaterdag, januari 16, 2010

Kerst Kaart Competitie

Terug uit Libië, begon het gewone dagelijks leven weer voor ons op dat eiland in de Noordzee c. q. Atlantische Oceaan. Gelukkig slechts voor een paar weken want daarna kwamen kerst en nieuwjaar. Hoera, iets meer dan een week niet verplicht aan het werk! We hadden wel pas twee weken vakantie gehad, maar het is verbazingwekkend hoe zeer je aan vakantie toe bent als je weer aan het werk moet...

Dat is nu al weer verleden tijd, de kerst- en nieuwjaarsvakantie wel te verstaan. Het enige dat hiervan gebleven is, zijn de kaarten die we van een groot aantal van jullie mochten ontvangen. Alle andere sporen zijn verdwenen. De kerstdecoratie en kerststal zitten weer in de dozen, de kerstboom is in stukjes gezaagd en ligt nu buiten in Ringwood te wachten tot het in kooldioxide en energie omgezet wordt, de gaatjes van de spijkers waaraan de kerstkaarten hingen, zijn met verf dichtgestopt en de kerstboomstandaard staat weer op zolder. Wat de kaarten betreft, het was een divers sortiment dit jaar: een heel stel kaarten met Christelijke afbeeldingen (met name de drie wijzen uit het Oosten), dan een stel kerstbomen en -ballen, uitgeklede rendieren en wat dies meer zij. We wilden eigenlijk een top tien van kerstkaarten maken maar hebben daar maar van afgezien omdat we niemand voor het hoofd wilden stoten (we zijn ondertussen wel wat verengelst...). Bovendien zijn we van plan om dit keer de kaarten echt te recyclen door ze uit te knippen, op te plakken en eind dit jaar naar jullie terug te sturen. We weten nog niet of jullie dezelfde kaart terugkrijgen of een andere, maar daar hebben we nog een paar maanden de tijd voor om over na te denken.

Hierbij nog even een selectie van wat wij van jullie mochten ontvangen...

zaterdag, januari 02, 2010

Terug naar af (zaterdag, 28 november 2009)

We werden gewekt met hoorngeschal. Eén van de Rotelianers had een reveille-hoorn mee en had dat gedurende de reis al verschillende malen ten gehore gebracht. Jessica meende dat Lutz en ik onze hoornblazer zouden moeten vasthouden terwijl zij hem die hoorn door zijn strot zou drukken. Nog nagenietend van het schouwspel voor ons geestesoog ruimden we de cabine op, pakten de rugzakken en gingen nog maar snel ontbijten. Daarna werd de Rotel ingepakt. Hij zou hier bij de jeugdherberg blijven staan tot de volgende groep met kerst zou komen. Het opruimen was weer net zo chaotisch als de andere keren maar dat boeide ons niet echt meer en lieten de eer aan de overijverige senioren.

Het duurde daarna nog enige tijd voordat iedereen in de bus zat. Dit keer was dat niet de Rotel-bus (want die zou achterblijven) maar weer dezelfde inheemse bus als waarmee we van het vliegveld waren afgehaald. Alois sloot de Rotel vakkundig af en kwam mee voor een welverdiende rustperiode in het Duitse Beieren, net als Berthold. Hassan en Feisal deden ons uitgeleide. Op het vliegveld nam Hassan zowaar een rugzak en de “Drei-Tage-Tasche” van ons over en spurtte naar de incheckbalie. Het inchecken ging vrij vlot. Daarna wist niemand precies wat er gedaan moest worden tot er iemand ons in de richting van een ander balie-achtig ding wees en iets als emigration mompelde. Daar kregen we stempels in het paspoort en tenslotte ook op de instapkaart. Vervolgens moesten we naar de eerste verdieping, waar al een ellenlange rij stond. We hadden geen idee of we ook moesten aanstellen en de officiële instantie had schijnbaar ook geen idee want ze konden geen antwoord op onze vragen geven. In de rij zelf wist men het echter wel. Dit was de rij voor de transfervluchten. Nu dat geklaard was, konden we boven rustig rondkijken. Het was een vierkante ruimte met banken in het midden en aan drie zijdes winkels die nog slaperig opengingen. Aan de vierde zijde hing boven een deur een elektronisch bord waarop stond aangegeven welke vlucht van welke gate vertrok. Sommige vluchten waren zwart, dat wil zeggen, men wist niets, een aantal waren geannuleerd en twee mochten naar de gate. Daartoe liep iemand de ruimte rond en riep de plaats van bestemming om. Düsseldorf en London waren zwart, dus hielden we ons met het groene en witte boekje en de overpeinzingen van Ghadaffi bezig. Er staan fantastische gevleugelde uitspraken in zoals ”de Joden zijn een arm volk dat pech heeft gehad”.

Hoewel volgens de dienstregeling de vlucht naar Düsseldorf tien minuten na ons had moeten vertrekken, mocht de Rotel-groep eerder weg dan wij. We grapten al tegen Berthold en Alois dat zij ons maar weer moesten oppikken als ze met kerst terug zouden komen. Gelukkig was het niet zo erg en even later mochten ook wij naar de gate. De personenscan was behoorlijk laks. Vrouwen hoefden niets uit te trekken, mijn riem moest wel af. De fles water in de rugtas werd niet opgemerkt en men wist niet wat dat zwarte ding in de rugtas van Jessica was: een fotocamera…

Het vliegtuig was half leeg. Om ons vast op onze terugkeer naar het eiland in te stemmen, was het entertainment systeem off-line. We kregen wel allemaal een koptelefoontje, maar omdat het systeem niet werkte had je daar natuurlijk niets aan. Logica ten top. Het vliegend ontbijt was evenwel goed. Iets te laat, om 10:30 uur kwamen we op Gatwick aan. Welkom op het eiland. Het gesnauw begon weer. Niets werkte, toiletten waren niet schoon, enz. We voelden ons weer helemaal thuis.

De terugreis van Gatwick naar Salisbury duurde net zo lang als de reis van Tripolis naar London. Pas tegen 14:00 uur waren we thuis. Het was koud. Het huis was met de verwarming aan afgekoeld op 14 °C. Stimpy was blij ons en wij hem gezond in lijf en leden en behoorlijk aangekomen te zien. Dat was het einde van de reis. Nog even voor de statistiek: in 14 dagen hebben we 4.390 km met de bus afgelegd.

vrijdag, januari 01, 2010

Carnivores salutem (vrijdag, 27 november 2009)

We mochten uitslapen vandaag, een heel uur lang! Niet dat dat de Rotelianers wat uitmaakte: vroeg opstaan was het devies. Op de één of andere manier waren er onder onze medereizigers een heel stel die overal het eerste wilden zijn en het meeste wilden hebben.

Om 9:00 uur was de ontbijtboel weggeruimd. Akram was gekomen en had vanwege het offerfeest taart meegenomen. Vreemd genoeg waren er maar weinig die daarvan namen. Dat heb ik maar goed gemaakt. De meesten keken naar het schaap dat op de groenstrook bij de Rotel rondliep en zij vroegen de kok van de jeugdherberg wanneer het in kebab zou worden veranderd.

Met de bus reden we een klein eindje naar de opgegraven stad Sabratha. Dat waren zo’n 10 minuten. We hadden het ook kunnen lopen maar dat was iets dat Berthold voor de terugweg had gereserveerd. Op die manier kon iedereen zelf beslissen hoe lang hij of zij in de oude stad wilde doorbrengen. Het opgravingpark was open en het museum op het terrein gesloten. We hadden geen gids dit keer maar Berthold leidde ons rond. Hij zei dat we na de rondleiding genoeg tijd hadden om alles in rust te fotograferen, maar dat werd tegen Roteliaanse dovenmansoren gezegd. En daarna werd natuurlijk geklaagd dat er niet op hen gewacht werd omdat ze zoveel tijd nodig hadden om te fotograferen. Sabratha was net als Oea en Leptis Magna gesticht door de Feniciërs in de 6e-7e eeuw v. Chr. Daarna volgden de Romeinen en een aardbeving (in 365 n. Chr.) waarna de stad op kleinere schaal herbouwd werd door de Byzantijnen. Delen van de oude stad waren tot op de laag van de Feniciërs afgegraven. Zo was een grafmonument ter ere van de god Bes opgegraven en gereconstrueerd. Dat ding was 23 m hoog en was waarschijnlijk gereconstrueerd uit twee soortgelijke monumenten. Het merendeel van de ruïnes stamde evenwel uit de Romeinse tijd. Er waren mooie vloermozaieken te zien met name in het badhuis. Dan waren er verschillende tempels waarvan het podest van één daarvan diep was weggebroken omdat het als steengroeve was gebruikt. In de 4e eeuw leed de stad namelijk onder bevolkingsverkleining. De stad kon niet meer verdedigd worden en een nieuwe stadsmuur werd dwars door de stad gebouwd, waarbij van oud bouwmateriaal, zoals zuilen gebruik werd gemaakt. Er waren verder verschillende basilicae die deels als christelijke kerk waren hergebruikt.

Het laatste dat Berthold ons toonde was het door de Italianen gereconstrueerde theater. Het had een decor van drie verdiepingen. De marmeren vloer in één van de ruimtes van het theater toonde duidelijk de plaatsen waar bouwmateriaal naar beneden was gestort. Om 11:30 uur was de toer ten einde en hadden we tot 16:00 uur vrije tijd. Wij natuurlijk niet want we hadden om 13:00 uur bij de uitgang met Akram afgesproken. De resterende anderhalf uur gebruikten we om al die dingen te bekijken die Berthold ons niet getoond had maar wel als bezienswaardig in de gids stonden. Eerst gingen we naar de Isis-tempel, die dicht bij het water lag en er ook al door was aangetas, en daarna wilden we het amfitheater bekijken. Dat lag een eindje buiten de stadsmuur. We konden het niet direct zien omdat het, zo zagen we later, ingegraven was. De plek van het amfitheater was namelijk eerst als steengroeve gebruikt. Op onze zoektocht werden we door de toeristenpolitie in een 4x4 aangehouden. Zij wilden onze kaartjes zien. Nou, die hadden we niet, we behoorden tot een groep. Dat was in orde. Waar wilden we heen? Naar het amfitheater. Nee, nee, dat ging niet, dat was te gevaarlijk. Oh, zeiden we, we zullen voorzichtig zijn en liepen verder het stenige veld in. Ze wisten duidelijk niet wat ze moesten doen. Ze reden eerst weg en keerden daarna om ons achterna te gaan. Door de stenen lukte dat niet echt en zij hielden het daarna voor gezien.

We vonden het amfitheater uiteindelijk. De Italianen hadden hier in waarschijnlijk 1937 opgravingen verricht. Deze datum stond ergens in een steen gegrift. Het spoor en kiepkarretjes voor het afvoeren van de stort lagen er nog. Dit was archeologie van een archeologische opgraving. De bovenste rijen banken waren nog goed behouden, het lagere deel was behoorlijk vervallen. Niettemin was de structuur van het gebouw nog goed te herkennen. We kwamen Berthold tegen, die maar weer alleen aan het ronddolen was. We hebben een tijd met hem gepraat c. q. geroddeld over de groep. Hij vond deze groep ook heel erg vermoeiend. Daarna was het tijd om terug te gaan voor onze afspraak met Akram.

Bij de uitgang stond hij reeds op ons te wachten. We pikten David, de Canadees die bijna geen Duits sprak, op en Akram zette hem bij de jeugdherberg af. Het kleine stukje lopen was hem al teveel. Daarna reden we door “Akram City” naar Akram’s huis. Hij had 36 broers en zussen (zijn vader had vier vrouwen) die bijna allemaal in Sabratha woonden. Bij zijn huis werden we opgewacht door zijn vrouw en twee van zijn dochters. we werden gevraagd of we in het westerse of het Arabische deel van het huis wilden zitten. We kozen voor de laatste optie. In plaats van stoelen lagen hier kussens op de grond en langs de wand. Schoenen uit en de verwennerij begon. Eerst een glas water, daarna verschillende hapjes gemaakt van schapenvlees, zoals kebab, lever en andere ondefinieerbare delen. Thee met pinda’s kregen we na. Ondertussen bleef de tv lopen. We zagen de live uitzending van de vrijdagspreek vanuit de grote moskee van Tripolis. De afloop was vergelijkbaar met die van een christelijke dienst, met het verschil dat er geen muziek was. Opvallend was ook dat de meest vrome personen vooraan zaten. Zij baden het langst, stonden als laatste op en hadden waarschijnlijk de grootste blauwe vlekken op het voorhoofd. Daarna volgde een tussenspel waarin het nationaal museum in Tripolis getoond werd. Zo kregen we toch nog een idee van wat we daar gemist hadden (onder andere de VW kever van The Leader). Dan volgde een Hollywood-achtig epos over het leven van Mohammed. Jessica scoorde weer punten door precies te vertellen wie wie was en wat er gebeurde. De hele film was tenslotte in het Arabisch. We hebben de film niet af gezien. We moesten namelijk naar buiten om foto’s te maken. Daarvoor gingen we naar een huis verderop waar Akram’s broer woonde. Hier waren meer familieleden aanwezig, onder andere zijn moeder, die onder een enorm afdak bezig waren met kokkerellen. De vrouwen tenminste. De mannen, dat wil zeggen, één van Akram’s zonen, een stel broers en de dorpsslager, waren druk bezig met het afwerken van het laatste van de acht schapen. Zeven hingen er al aan een stellage, van de achtste werden de huid verwijderd en de ingewanden eruit gehaald. Als man moest ik dat natuurlijk erg interessant vinden en foto’s maken. Eén van de broers ging telkens poseren met alles dat uit het schaap gehaald werd.

Vervolgens moest er weer gegeten worden. Dit keer een soortement van gekookt brooddeeg, overgoten met een saus van tomaten, stukken schaap en aardappel. Dit werd op een grote schaal geserveerd en moest met de hand worden gegeten. Akram toonde ons hoe. Eerst moesten we handen wassen boven een schaal die door Akram’s zoon werd vastgehouden en water over onze handen goot. Daarna moest met kracht het broodmengsel door de saus worden gekneed. Dat was goed heet! En dan maar eten. Een probleem was te bepalen hoeveel je geacht werd te eten. Het smaakte goed en meestal vinden mensen het prettig om te zien dat het je smaakt. Hier echter kregen de vrouwen de resten, dus was het wel zo prettig dat er iets over zou blijven. We kregen koffie en thee ter afsluiting en Jessica kreeg een mooie ketting. Ook kregen we een zak pinda’s mee om zelf thuis thee met pinda’s te kunnen maken. Daarna bracht Akram ons weer terug naar de Rotel.

De andere Rotelianers waren er waarschijnlijk al lang en waren druk bezig met het herpakken van de koffers. Andere zaten al klaar met hun Rotel-zakjes voor het avondeten. Daar hadden we nu echt geen behoefte meer aan. In plaats daarvan zijn we wat envelopjes gaan vullen voor Berthold, Alois, Akram, Hassan en Feisal, met natuurlijk een persoonlijke boodschap erbij. We hebben ze direct daarna overhandigd, wat door iedereen goed ontvangen werd. Hassan had zelfs een ketting voor Jessica gekocht.

Het avondeten ging er bij ons niet in (aardappelpuree met saucijsjes) maar Alois had nog wat van Akram’s taart bewaard en die hebben wij maar opgepeuzeld. Omdat we de volgende dag vroeg op moesten (4:30 uur ontbijt), zijn we er maar vroeg ingedoken.

donderdag, december 31, 2009

Zondagsrust (donderdag, 26 november 2009)

Er werd weer op de gewone tijd opgestaan, het ontbijt was om de gewone tijd en het wegrijden eveneens. Er waren wat ongeregeldheden bij het opruimen van de banken en tafels ontstaan, maar onder de kundige leiding van Lutz waren die snel opgelost. Vandaag zouden we naar Tripolis gaan. Vanwege het offerfeest was het uitermate rustig op de straten en na een uurtje waren we al in de hoofdstad. Daar werden we opgewacht door Akram, die we al een paar dagen niet hadden gezien. Hij was thuis bij zijn familie geweest maar zou ons vandaag weer in de stad begeleiden. Bethold leidde ons eerst door het oude deel van de stad, naar het enige behouden stuk architectuur uit het Romeinse Oea, de triomfboog van Marcus Aurelius. Daarna volgde de bezichtiging van de Gorgi-moskee, een gebouw uit de 19e eeuw met een schat aan prachtige tegeltjes, en een kleine rondtour door het oude Tripolis. Hier staan nog een heleboel huizen uit de Italiaanse koloniale periode. Ze zijn vaak erg vervallen. Wat verder opviel waren de telefoon- en elektriciteitskabels die langs, over en door elkaar over de straten en langs de huizen liepen. Ook viel op dat het hier erg rustig was en zelfs in de souk was alles dicht. We begonnen nattigheid te voelen en vreesden voor het hoogtepunt van ons bezoek aan Tripolis: het nationaal museum. Akram bevestigde dat het gebouw gesloten was en dat niemand wist of het vandaag open zou gaan. Tegen de tijd dat we bij het museum waren en Berthold in eigen persoon ging navragen, was Akram in geen velden of wegen meer te zien. Het zal de Arabische “beleefdheid” wel zijn geweest dat hij niet wilde zeggen dat vandaag alles dicht zou zijn. Zoiets zou eigenlijk maanden van tevoren al bekend moeten zijn geweest. Aan de andere kant, gisteren kon ook al niemand zeggen of iets open zou zijn. Ook Rotel had dit kunnen weten met al hun ervaring in islamitische landen. We waren daarom in niet al te blije stemming. Berthold vertelde dat het museum definitief niet open ging en liet stemmen of we eerder uit Tripolis wilden vertrekken of niet. Daarbij liet hij doorschemeren dat in onze overnachtingplaats Sabratha (waar we de eerste nacht ook hadden doorgebracht) nog minder te doen zou zijn. Bijgevolg bleef de vertrektijd op 16:00 uur staan.

Tegenover het museum, aan de andere zijde van een drukke vierbaansweg met plein, bleek nog een op toeristen gericht restaurant open te zijn. Volgens Berthold kon dat wel eens het enige restaurant zijn waar we die dag iets te eten zouden kunnen krijgen. Jessica, Lutz en ik hebben eerst maar koffie met gebak gedronken en gegeten en daarna de smetteloze toiletten van het restaurant bezocht. Vervolgens hebben we netjes de gepeperde rekening betaald en zijn op zoek gegaan naar twee gerenommeerde boekenwinkels (volgens onze en Lutz’ reisgids zouden die de beste van heel Libië zijn). Beide bleken, hoe kon het ook anders, gesloten te zijn. Langs rotondes en vervallen en nieuwe gebouwen en reclameborden voor World Toilet Day (die zou op 19 november zijn gehouden) liepen we weer naar de oude stad om te zien hoeveel leven er nog was in het Afrikaanse deel van de souk. Op het plein voor het museum stond een groep personen op een kluitje met schommelbankjes, levende gazelles en andere zoete decoratie. Ook stonden er motoren van verschillende merken. Hier kon men foto’s laten maken in een speciale ambiance. Wij besloten dat we zoiets niet wilden laten doen. Voor Libiërs moet dit een favoriete vrijetijdsbesteding zijn geweest.

Door de stadspoort liepen we daarna dezelfde weg terug als die we op de heenweg met de Rotel-groep hadden genomen. Het was niet veel drukker geworden. Een soortement zwerver had zich sinds de laatste keer aan de andere kant van de straat in de schaduw gezet en begroette ons weer in het Duits. Hij had overal in Europa, in Duitsland en Nederland gewoond en verzamelde postkaarten van over de hele wereld. Hij gaf ons zijn postbusadres die hij al op een stapel papiertjes had geschreven. We liepen vervolgens de souk in. De koperslagers waren op één na niet wakker. In het Afrikaanse deel daarentegen, voorbij de kruising met de vier Romeinse zuilen op de hoeken, was meer leven. Een heleboel zwarte Afrikanen struinden langs winkeltjes met levensmiddelen, groente en fruit, stoffen, kappers c. q. CD winkel en vliegende messenslijpers. Met uitzondering van de stofhandelaren leken de andere goede zaken te doen. Vooral de kappers hadden het druk. Iedereen wilde er op zijn best uitzien voor de feestdagen.

De reden waarom we zo naarstig op zoek waren naar open winkels was dat we de volgende dag bij Akram waren uitgenodigd. We zouden daar ’s middags heen gaan, blijven eten en zijn familie leren kennen. Dat was een hele eer. Het enige wat mij echter daaraan hinderde echt blij hierover te zijn, was het feit dat gasten waarschijnlijk ook bij het slachten van de schapen aanwezig moesten zijn. Daaraan had ik niet werkelijk behoefte. De laatste dagen hadden we al genoeg schapenmarkten en pick-ups met schapen gezien en met mijn levendig voorstellingsvermogen kon ik al zien hoe elk van die blatende beestjes op vrijdag de 27e, vanaf 9:00 uur ’s morgens geslacht zou worden. Maar goed, we konden natuurlijk niet met lege handen aankomen en waren dus op zoek naar iets geschikts zoals een echte baklavabakker. Die konden we in de souk niet vinden en dus besloten we maar terug te gaan naar de triomfboog van Marcus Aurelius, want volgens onze reisgidsen zou daar een goed restaurant zijn. Het liep al tegen 13:00 uur en we begonnen honger te krijgen. Het restaurant was echter gesloten, dus liepen we maar door naar het touristen-restaurant tegenover het nationaal museum. Daar zouden we ieder geval iets te eten kunnen krijgen. Onderweg stootten we evenwel op een Turks restaurant dat open scheen te zijn. We twijfelden of we naar binnen zouden gaan of niet, want als er geen menukaart zou zijn met vaste prijzen, zou de rekening wel eens gepeperd kunnen zijn. We besloten de stoute schoenen aan te trekken en de trap naar boven op te gaan. Op de eerste verdieping was een Turks theehuis. Dat was niets voor ons. Er was echter nog een trap omhoog en daar was daadwerkelijk een restaurant. We werden hartelijk ontvangen door de eigenaresse in overall. We mochten aan een tafeltje bij het raam gaan zitten met uitzicht over de haven en kregen de menukaart (met prijzen). We bestelden alle drie een Iskender-kebab. Die lekkernij hadden we in Istanbul leren kennen en smaakte hier ook heel goed. Onbesteld kregen we nog een linzensoep als voorafje. Koffie bestelden we na. Hierna hadden we genoeg gegeten voor de hele dag.

We besloten nog een beetje op de promenade langs het water gaan lopen. Onze zelfmoordpogingen bij het oversteken van de snelweg tussen de oude stad en de promenade mislukte net aan, en daarna konden we van het af en toe enorm stinkende zeewater genieten met een heleboel vissers met hoogzee hengels. We kwamen nog een rozenverkoper tegen en kochten direct een roos. Nu hadden we tenminste een echte bloem voor Akrams vrouw. We liepen tot het einde van de promenade en daarna deels weer terug tot we op de hoogte van de Rotel waren, die langs de kant van de zelfmoordweg stond te wachten. Weer volgde een hachelijk oversteken en bereikten we de Rotel. Even later reden we weg naar Sabratha.

In vergelijking tot het landschap in het zuidelijk deel van Libië is het noordeljk deel, Tripolitania, enorm groen. Dat bemerkten we al op onze tocht van Houn naar Leptis Magna. Hier stonden niet alleen kleine plantjes maar ook bomen: de gebruikelijke eucalyptus en tamarisk en Italiaanse cipressen. Dit was het vruchtbaarste deel van Libië en dit was dan ook het deel dat door de Italiaanse kolonisten in beslag was genomen. Zij hadden een andere bouwstijl en legden grote tuinen aan. Niettegenstaande het groene landschap zagen de Libiërs er geen geen probleem in om ook dit deel met afvaldumps te verontreinigen. Je vraagt je af waarom.

Tijdens de bustocht vertelde Berthold nog over de eerste pogingen om de Sahara gemotoriseerd over te steken. Het heeft tot ver in de 20e eeuw geduurd tot voertuigen sneller waren dan kamelen. Ook vertelde hij over de invloed van de woestijn op de geestelijke ontwikkeling van mensen. Bij de jeugdherberg aangekomen, hadden we nog genoeg tijd tot het avondeten. We zijn daarom nog even de stad ingegaan om te zien of we hier iets voor Akram en zijn familie konden vinden. We vonden wat levensmiddelzaakjes, waar we een trommel Quality Street zagen. Dat leek ons wel een goed geschenk als zijnde iets komende uit het westen. Hadden we geweten dat we uitgenodigd zouden worden, hadden we wel iets van het eiland meegebracht. Het Quality-blik was niet zo groot en daarom kochten we ook wat Merci bij dezelfde zaak. Een paar winkels verderop werden jalabeja’s (lees: Arabische aardappelzakken om aan te trekken) verkocht, die Jessica met alle geweld aan een nader onderzoek wilde onderwerpen. Na een boel kijk-, pas- en besliswerk kocht ze een rood exemplaar met allerlei bling-bling-stiksels. Daarna mochten we de straat weer op, op zoek naar inpakpapier en evelopjes voor de bonus voor Berthold en co. Dat was nog een heel gezoek. Boekwinkels en winkels die papierwaren verkopen zijn erg schaars in Libië. Dat had Berthold al eerder in de bus verteld. Het is voor de mensen hier heel erg moeilijk om aan informatie te komen. Kort voor we besloten om te keren en terug naar de jeugdherberg te gaan, vonden we een zaakje dat schoolspullen verkocht. Deze had ook cadeaupapier en envelopjes in de aanbieding. Vervolgens is Jessica nog een andere levensmiddelenzaak binnen gegaan omdat ze daar een groter blik Quality Street had gezien. Bijgevolg was de Merci over en die hebben we ’s avonds bij het avondeten uitgedeeld. We aten weer in de jeugdherberg en hadden weer hetzelfde menu als op de eerste dag: komkommer, tomaat, sla en olijf, gevolgd door soep en kip met couscous. Jammer genoeg hadden we ’s middags al zoveel gegeten dat we nauwelijks nog iets op konden. De avond werd besloten met het gebruikelijke borduur- en schrijfwerk in de Rotel-kabine.

maandag, december 28, 2009

Leptis Magna (woensdag, 25 november 2009)

We mochten een half uur langer slapen vandaag. In plaats van om 7:00 uur was het ontbijt om 7:30. Nu zijn Rotelianers erg voorspelbaar, dus nog voor de muezzin zijn gezang begon, kort na 6:00 uur, waren de eerste reeds met gestommel nadrukkelijk aanwezig.

’s Nachts, vroeg in de morgen had het geregend en al de spullen die buiten waren gebleven, zoals de tafels, banken en Rotel-zakjes met eet- en snijgerij, waren kletsnat geworden. De katten waren niet te zien. Gisteren hadden we er zeven geteld, allemaal mager en erg schuchter. En dat terwijl er leverworst bij het ontbijt was! Dat was er overigens elke morgen, alleen namen wij dat nooit. Jessica’s ontbijt bestond uit een müslireep en een kop thee (beide uit Engeland meegenomen), mijn ontbijt bestond uit een bord müsli met melk en heet water om de boel op temperatuur te brengen. Daarbij kwam nog wat stokbrood.

De aanhanger was afgekoppeld en dus reden we alleen met de bus naar de opgraving Leptis Magna. Leptis Magna was één van de drie steden in Tripolitania, een politiek en geografisch verbond van drie steden, afgeleid uit het Grieks: tri (drie) en polis (stad). De andere twee steden waren Sabratha en Oea, nu beter bekend als Tripolis. Hun oorsprong gaat terug tot de Feniciërs in de 7e eeuw v. Chr. Direct na het uitstappen begon de verwarring: zou het postkantoortje op het terrein open zijn en zo ja van hoe laat tot hoe laat? Daarna herhaalde dit alles zich met betrekking tot het museum. Een antwoord kwam er niet. Niemand scheen iets te weten. Eerst zou het museum tot 14:00 uur open zijn, daarna helemaal niet, of misschien toch weer wel. Later bleek dat het museum na een korte middagpauze gewoon open was.

Van het museum ging het een stukje terug naar de ingang van het opgravingterrein. We kregen een gids mee die heel gebrekkig Duits sprak. Bij de gerestaureerde triomfboog van Septimus Severus (193-211 n. Chr.), de caesar die in Leptis Magna geboren was en in zijn regeringsperiode een hoop geld spendeerde aan het verfraaien van de stad, begon de eerste voordracht. Leptis Magna is vernoemd naar de wadi Leptis, die op deze plaats in zee mondt. De eerste bewoning vond reeds in de 10e eeuw v. Chr. plaats. De Romeinen volgden een paar eeuwen later. Leptis Magna betaalde tribuut aan Carthago en werd na diens verwoesting min of meer zelfstandig. Nadat de inwoners een opstand tegen Julius Caesar hadden gesteund, werd hen een jaarlijkse boete van 3.000.000 liter olijfolie opgelegd. De stad was enorm rijk. Het achterland leverde slaven, wilde dieren voor de amfitheaters in het Romeinse Rijk en, natuurlijk, olijfolie. Na de 5e eeuw n. Chr. raakte de stad in vergetelheid en ondergestoven met woestijnzand. De eerste opgravingen vonden in de 20e eeuw door de Italianen plaats. Zij hebben alleen de belangrijkste delen van de stad opgegraven. Grote delen liggen nog onder het zand en zullen ook onder het zand blijven omdat de Libiërs grote problemen hebben om de opgegraven delen te conserveren. Dit was duidelijk zichtbaar. Overal groeiden planten tussen de stenen en de bestrating zodat het steeds meer verkruimelde. Ook werd verteld dat bezoekers stukken steen en aardewerk meenamen. Om die reden mochten bezoekers niet meer met een rugzak naar binnen.

De gids sprak heel moeizaam en daarom besloten we om op eigen houtje de stad te gaan verkennen. We hadden de Lonely Planet gids bij ons met een beschrijving van de belangrijkste gebouwen die je moest bekijken. Berthold was ook al verdwenen en tijdens onze tour kwamen we hem verschillende malen tegen. We hebben eerst het oost- en noorddeel van de stad verkend. We zagen Romeinse huizen, straten (hoofdstraten waren ongeveer 7 m breed, de minder belangrijke straten ca. 3,5 m; het riool onder het midden van de straat was afgedekt met enorme, rechthoekige steenplaten) en een heleboel triomfbogen van verschillende keizers. De stukken steen, die overal lagen, hadden soms nog inscripties en deze waren nog zo scherp dat het leek alsof ze gisteren gebeiteld waren. Van de meest westelijke boog zijn we verder gegaan naar de baden bij de zee. Een muurtje en zandzakken hielden het duinzand deels weg van het badgebouw. De koepels van de baden waren aan de buitenzijde gerestaureerd, aan de binnenzijde waren prachtige fresco’s van gladiatoren en wilde dieren te zien. Ook waren er mozaïekvloeren en hypocausten onder de vloer en langs de wanden.

Er was enorm veel te zien in Leptis Magna en van hoge kwaliteit. Het theater was deels gerestaureerd en zag er magnifiek uit. Het duurde even voor we het theater voor ons zelf hadden voor een panorama-opname vanaf de bovenste tribune, maar dat was het wachten waard. In het algemeen was het erg rustig. Met name in de eerste en laatste uren kwamen we zo goed als niemand tegen. Er waren wat Italianen en Fransen en een groep Indiërs. Rond het middaguur liepen er ook wat inheemse groepen rond. Het weer was ideaal: bewolkt met af en toe zon en tijdens de middag wat fikse regenbuien. Na nog wat meer domestieke gebouwen, tempels, triomfbogen en het oude forum te hebben bekeken, zijn we naar de pier met de fundamenten van de oude vuurtoren gelopen. Het was een stormachtige zee en dat maakte de uitblik compleet. We troffen daar twee Libische duikers aan die gewoonlijk rond de vuurtoren naar calimari doken. Nu was het te stormig om naar beneden te gaan. De calimari zaten vooral tussen de steenbrokken die van de vuurtoren en de pier in zee waren gestort. De rechthoekige stenen blokken bevatten meerdere uitsparingen waarin ooit ijzeren klampen zaten, die met lood omwikkeld waren tegen het roesten. De duikers zaten nu in de beschutting van de muur te roken waarbij een bekend grasluchtje onze kant op dreef.

Van de ene pier liepen we over het nu droge havenbekken naar de andere zijde, waar de resten van warenhuizen en aanlegsteigers te zien waren. Op een hoogzeevisser na was er niemand te zien. Via een avontuurlijke bush-tocht kwamen we tenslotte weer in het bewoonde stadsareaal en van daar zijn we terug naar de uitgang gegaan om kaarten en postzegels te kopen. Dat laatste was niet zo eenvoudig. Het postkantoortje was namelijk om 13:00 uur dicht gegaan en ging niet meer open. Je kon echter ook postzegels in de souvenirwinkeltjes van Leptis Magna kopen, deze waren alleen 5x zo duur. Maar nood brak wet, dus hebben we maar het één en ander ingeslagen. Vervolgens hebben we in één van de westers aandoende eet- en drinkgelegenheden een Arabische koffie en wat chips genuttigd en hebben onder de klanken van onder andere Modern Talking (“Cherry, cherry lady”) de kaarten geschreven. Tegen de tijd dat we klaar waren, regende het stevig en besloten we te kijken of het museum open was. Dat was het geval. Het was een mooi opgezet museum met een heleboel hoogwaardig spul. Het mooist waren wel de marmeren, levensgrote beelden van personen met fijn gesneden koppen. Verder waren er de onvermijdelijke olielampjes te zien en een heleboel munten. Helaas was het licht kapot en moest er veel in het halfduister bekeken worden, wat evenwel nog goed te doen was. Bovendien hadden we onszelf maar een half uur de tijd gegeven omdat we de rest van het opgravingterrein nog wilden bekijken. In een recordtempo raceten we door het museum en lieten daarna de overdimensionele Ghadaffi in de hal van het museum achter ons. Het was ondertussen weer droog geworden en we haastten ons naar andere hoogtepunten op het terrein, onder andere de basilica en de baden. Tegen de tijd dat we bij de baden aangekomen waren, liep er niemand meer rond, wat prachtige plaatjes opleverde. Om 16:45 uur liepen we naar de uitgang, alwaar we door een heftig gesticulerende suppoost weren opgewacht. Al de suppoosten wilden vroeg naar huis vanwege het offerfeest. We hadden echter officieel nog tot 17:00 uur de tijd. Helaas voor hen moesten ze toch nog wachten want we waren niet de laatsten.

Stipt om 17:00 uur reden we terug naar de jeugdherberg onder het oog van een stel enorm chagrijnige suppoosten. De Rotel-top-zeurkous meende daarna mij te moeten aanspreken en te overtuigen dat wat wij tot nu toe in Libië aan archeologie gezien hadden eigenlijk niets voorstelde. Ik heb met kromme tenen geluisterd, haar cryptisch voor gek verklaard en mij daarna zo snel als beleefdheidshalve toestond uit de voeten gemaakt. We vroegen ons tijdens deze reis echt een aantal malen af wat dit soort personen bezielde om naar Libië te gaan… Gelukkig was het al snel tijd voor het avondeten want we hadden best wel trek gekregen na een hele dag tussen de ruïnes struinen. Het eten bestond uit pasta met een groente-ratatouille. Daarna hebben we ongestoord in de grote hal met de brug van de jeugdherberg geschreven en geborduurd.

zondag, december 27, 2009

Over forten en circussen (dinsdag, 24 november 2009)

Het was dit keer niet zo koud ’s morgens bij het ontbijt. De lucht was dichtgetrokken en van de heldere sterrenhemel van een paar uur eerder was niets meer te zien. Iedereen was snel klaar en voor 8:00 uur was alles opgeruimd en afgebroken en zat iedereen weer in de bus voor weer een dag lang reizen. We zagen de zon opkomen achter het gebergte aan de horizon in felle kleuren. Het landschap werd steeds groener. Er waren plantages met Eucalyptus-bomen. Deze werden gekweekt als windbrekers rond andere plantages, zoals olijfplantages, waarvan we er verschillende zagen.

Om de tijd te doden, vertelde Berthold over de geschiedenis van de grenzen in Afrika. Deze zijn deels met de liniaal getrokken door de koloniale machten omdat zij absoluut niet wisten hoe het land er geografisch en volkskundig uitzag. Nadat Afrika zelfstandig werd, zijn de grenzen zo gebleven met alle gevolgen van dien. De nieuwe staten beschermden hun grenzen wel, in tegenstelling tot de koloniale machten, waardoor hele volksstammen van elkaar gescheiden werden. Ook vertelde Berthold over de buitenlandse politiek van Libië en over de Arabische mentaliteit. Het probleem van de laatste is dat er geen ruimte is voor zelfkritiek. Negatieve ontwikkelingen worden wel gezien maar in plaats van die op te lossen met een stap voorwaarts, wordt achterom gekeken. Er wordt teruggegrepen op het islamisme, iets waar Ghadaffi de rest van de wereld al jaren voor gewaarschuwd heeft en in Libië met alle macht probeert tegen te gaan. Het islamisme wil alle buitenlandse invloed weren en ziet hun achterstand veroorzaakt door de Joden en kruisvaarders.

In Gholaia stopten we bij een Italiaans fort. De Italianen hebben die dingen echt overal neergezet. We kwamen echter niet voor de Italianen, maar voor hun voorouders, de Romeinen. Die hadden een stukje verder van de weg een castrum met vicus (fort met handelsnederzetting) gebouwd. Hoewel veel was geërodeerd en onder woestijnzand was verdwenen, was de rechthoekige plattegrond van het castrum nog duidelijk herkenbaar. Onderweg over het woestijnzand liepen we over plekken waar het Romeins aardewerk centimeter dik aanwezig was. Niet alleen gewoon aardewerk en amforae maar ook het goede spul, de terra sigillata.

De poorten van het castrum waren grotendeels aanwezig in het midden van de vier zijdes. De opbouw van de muur was goed te zien. In het midden waren brokken steen met mortel op elkaar geplakt. De buitenkant was met rechthoekige basaltbrokken bekleed en aan de binnenkant zat een houten raamwerk waarop een pleisterlaag was aangebracht. In dit castrum was ook een kamer gevonden met een nog intacte schrijverskatheder, de enige ter wereld. Dat schrijverskamertje mat ongeveer 2,5x4 m en was al deels weer met stuifzand opgevuld. Nadat Berthold het één en ander had verteld, kregen we een half uurtje om rond te kijken. Volgens de beproefde Karnak-methode zijn we direct naar het verste punt gelopen om de massa’s te mijden en ongestoord foto’s te kunnen maken. Van daar gingen we weer terug naar het uitgangspunt. Op het verste punt, in de vicus, vonden we de resten van een tempeltje met de sokkel van het altaar. En overal lag aardewerk. Lutz kwam aanzetten met iets van basalt dat de arm of een been van een beeld kon zijn. En Berthold had slakachtig materiaal gevonden, misschien verweerde mortel en iets met een blauwgroene verglazing. We hebben de stukken ter documentatie gefotografeerd. Meenemen gaat natuurlijk niet, anders zou de reis terug wel eens erg lang kunnen gaan duren.

Terug bij de bus bleek dat Alois maar weer eens een band had verwisseld. We reden verder en tankten nog een keer. Het middageten was bij een wegrestaurant en iedereen die warm wilde eten, kon dat daar doen. Wij hadden niet zo’n behoefte aan kip met sla, rijst of couscous. In plaats daarvan hebben we maar weer wat locale chips, zoetigheid en brood ingeslagen en hebben dat op de stoep voor een slagerij, die er relatief schoon uitzag, opgegeten. We werden hierbij vergezeld door Achim. Op de parkeerplaats was behoorlijk wat te zien. We waren terug in het drukke deel van Libië. Rijk en arm waren er te zien, in dure 4x4’s en in wagens waarvan je niet kon geloven dat ze nog reden. Ook waren er veel pick-ups met schapen vanwege het offerfeest aan het einde van de week. Een andere vrachtwagen vervoerde kamelen die in de gebruikelijke knielende houding in de laadbak lagen. Het was een vreemd gezicht al die kamelen over de rand te zien kijken.

Na een uurtje ging het weer verder over goed geasfalteerde wegen en oude “schud”-straten. Op de goede delen vertelde Berthold weer het één en ander over Libië, op de slechte delen hield hij vanwege het geschud en gerammel en bijgevolg slechte verstaanbaarheid maar op. De laatste programmapunten van vandaag waren het amfitheater en het circus van Leptis Magna. Deze lagen buiten de oude stad aan de zee. Het waren prachtige gebouwen en enorm groot. Het amfitheater bood plaats aan ongeveer 15000 personen en mat 80x100 m. Aan de zeezijde sloot de tribune met de rug aan op de tribune van het circus. Van het circus was minder overgebleven, met name de tribunes waren slecht bewaard en aan de zeezijde was het één en ander weggespoeld. De spina, de middenberm zo te zeggen waaromheen de Romeinse collegae van Michael Schuhmacher hun karossen rondjes lieten draaien, was wel aanwezig, wat vrij zeldzaam was.

We zijn via het strand terug naar de bus gelopen. Het strand lag vol met afgebroken en omgevallen bouwmateriaal. Bovendien werd het vloed zodat we onze weg goed moesten afschatten om geen natte voeten te krijgen. Dat is grotendeels gelukt. Hassan wachtte halverwege op ons. Wij vormden de achterhoede en de agenten waren er voornamelijk om op te letten dat niemand achterbleef. We hebben gezellig foto’s op zijn mobiele telefoon gemaakt: eerst Hassan en ik en daarna Hassan met Jessica. Ik vermoed dat het hem vooral daarom te doen was geweest. Hij had echter al een habibi in Tripolis, zei hij…

Het laatste deel legden we met Berthold af, die we ook op het strand aantroffen. Precies op tijd kwamen we bij de bus (17:15 uur) en reden we naar de jeugdherberg. Omdat die dingen allemaal min of meer hetzelfde waren, was een nadere uitleg over waar de sanitaire voorzieningen waren niet echt nodig. Voor de verandering was ook hier geen warm water maar waren de ruimtes wel schoongemaakt. Daarbij moet verstaan worden dat bleekpoeder over wastafels enz. was gestrooid en een beetje was weggeveegd. Bij de heren stond de bus bleekpoeder nog fijn te pronken op een afgebroken Ablage voor de spiegel. De sanitaire voorzieningen in Libië zijn echt vreemd. Ik heb al over de douches verteld, nu zijn de toiletten aan de beurt. Zij zijn vaak gecombineerd met een douche en net als bij de douches wordt waarschijnlijk een setje gekocht en onderdelen daarvan in meerdere toiletten ingebouwd. Zo krijgt de ene de pot, de andere de stortbak en weer een ander de verbindingspijp, met als gevolg dat geen van alle functioneren. Daarbij komt dat zowel de westerse als ook de oosterse toiletten door elkaar gebruikt worden. De spoeling bestaat gewoonlijk uit een kraantje aan de zijkant van de muur met een stukje tuinslang daaraan. Daarmee kan je de stortbak vullen (indien aanwezig) en/of het toilet schoonspoelen (indien gewenst) en/of andere delen reinigen. Papier, als je dat al gebruikt, moet in een hoek worden gegooid opdat het riool niet verstopt, maar dat was in Egypte, Syrië en Jordanië niet anders.

Het avondeten bestond uit macaroni met goulash en verse salade. De overijverige senioren van Rotel waren druk bezig met het tonen van hun onmisbaarheid. Andere keren dat er geholpen moest worden met groente schoonmaken, was Jessica al vaker aangeblaft dat ze iets niet op de Rotel-manier deed of was gewoon weggeduwd, zodat ze nu niet eens meer probeerde te helpen. Datzelfde gold voor mij bij het opbouwen en afbreken van de Rotel. Mijn lengte was echter van voordeel zodat ik af en toe wel gevraagd werd voor de “hoge” werkzaamheden. We hadden geen tweede avondeten omdat Akram naar zijn huis was gegaan in Sabratha in verband met het offerfeest. Hassan en Feisal waren er wel, al weten we niet wat en waar zij gegeten hebben. Zij hadden echter hun kleed weer uit de wind neergelegd en we waren weer uitgenodigd voor de thee met pinda’s. Jessica was na het douchen van plan geweest om in de Rotel-cabine te gaan borduren maar had gezien dat in één van de ruimtes van de jeugdherberg een professionele brug stond. Het vroeg naar bed gaan liet zij dus varen en ging oefeningen doen, later vergezeld door Lutz. Daarna heeft zij meer dan een uur met Alois over alles en nog wat zitten praten. Ik heb mij ondertussen prima met Hassan en Feisal onderhouden. Zonder Akram erbij bleek hun Engels beter dan gedacht… Een drietal Rotelianers kwam er nog bij zitten. Tegen de tijd dat de tweede ketel werd opgezet, kwamen Jessica en Achim ook. We waren misschien een beetje te luidruchtig want toen Alois zijn slaapplaats aan de achterzijde van de bus wilde opzoeken, vond hij het nodig om de bus een aantal meter te verplaatsen. Tot hilariteit van ons. Kort daarna hebben wij onze kooi ook opgezocht.

zaterdag, december 26, 2009

Over zand en afval (maandag, 23 november 2009)

Vandaag zou weer een grote afstand worden afgelegd, van Murzuq naar Houn. Om de gewone tijd zaten we weer kleumend aan het ontbijt en om 8:00 uur reden we met aanhanger weg uit de citrusplantage. Eerst gingen we een klein stukje terug naar Murzuq om het fort aldaar te bekijken. Ditmaal geen Italiaans geval maar een lemen fort dat zijn wortels ergens in de 14e eeuw had en sindsdien voortdurend is vergroot en gerestaureerd. Het belangrijkste was de toegangspoort tot het plein rond het fort waardoor je de lemen minaret op het plein prachtig kon fotograferen. Het gevolg was dus een berg Rotel-fotografen op een kluitje. Eenmaal door de poort was er weinig te zien. We konden de trap naar het fort op lopen maar de poort van het fort zelf was gesloten, waarschijnlijk omdat het een beetje bouwvallig was geworden. Aan de achterkant zagen we dat de muur met prikkeldraad aan de bovenkant was afgezet en grote delen waren weggebroken. We hebben met de groep daarom maar een beetje rondgelopen want het was niet gepland dat het fort gesloten zou zijn.

Na nog wat lollies aan jongetjes te hebben uitgedeeld, die daar rondliepen, en Tobou-vrouwen met veevoer op hun hoofd te hebben gezien die naar de markt gingen, zijn we met de bus verder gegaan. De straat was deels goed uitgebouwd. Berthold vertelde over de Libische politiek en over de auteur van “De kleine prins” Antoine de Saint-Exupéry, die ooit als postvlieger met zijn collega in de Sahara is neergestort. Hij beschrijft in zijn dagboek heel plastisch hoe het is om zonder water in de Sahara rond te moeten dwalen en hoe kostbaar water is.

In Sabha werd weer ingekocht en wel in dezelfde winkel als op de heenweg, op maandag de 17e. Dus hebben we weer een grote hoeveelheid baklava ingeslagen voor als toetje na het avondeten. Lutz kocht de van honing druipende balletjes (waarvan het hulpje van de verkoper er ettelijke probeerde) en wij de overige delen. Hierna moesten we weer terug de bus in en reden we verder door de woestijn. Het was de bedoeling dat we onze lunch bij een artificiële, ronde oase zouden houden. Er moest echter ook getankt worden en dat veroorzaakte een verandering in de plannen. Toen we bij het tankstation aankwamen, bleek dat er net een tankwagen was gekomen die nog bezig was het tankstation te vullen. Alois bedacht zich geen moment, liet de ketting voor het station weghalen en ging vlak achter de tankwagen staan. Omdat die nog niet klaar was, werd besloten op de parkeerplaats te pauzeren. Dat was een goed idee want er werd waarschijnlijk rondverteld dat de tankwagen was gekomen. Er kwamen namelijk steeds meer vrachtwagens. Zodra de tankwagen weg was, gaf Alois geen duimbreed toe en manoeuvreerde de Rotel direct naast de pomp. Zoals al eerder gezegd, brandstof is erg goedkoop hier. Een liter diesel kost 0,15 Libische Dinar, 253 liter kost 38 Dinar, omgerekend ongeveer 24 Euro. Brandstof was de enige reden om naar het tankstation te komen. Voor het sanitair moest je hier niet zijn. Dat won hier zonder twijfel de eerste prijs in de smerigheidwedstrijd. Een beschrijving wil ik hier niet geven; gebruik jullie fantasie op een 2x2 meter grote betonnen ruimte met raam en deur. Het was waarschijnlijk nog iets erger.

We verlieten de award winning service station en reden verder door de woestijn. Dichter naar de grote stad toe werden de vuilnisdumps frequenter. De rotzooi wordt in vrachtwagens geladen en op een hoop langs de weg in de woestijn gedumpt. De volgende vrachtwagen dumpt zijn lading tegen de eerste hoop aan en zo gaat het door, rij na rij, totdat een veld met hopen afval is bezaaid. Dan wordt een nieuwe locatie gezocht. Het afval bestaat voor het grootste deel uit bouwpuin, wat geen wonder is omdat er zoveel gebouwd wordt in dit land. De vraag blijft echter: voor wie?

Tussen de afvalvelden stonden af en toe vrachtwagens die lifters met hun lading meenamen, terug naar hun thuisland. Dat waren allemaal illegalen. We lieten deze illegale “busstations” achter ons en reden Houn binnen. Houn is een lelijke, doorsnee Libische stad. Hier mochten we weer inkopen, dit keer vanwege de dadels die hier het best van het hele land zouden zijn. Dus heb ik ook hier maar weer een doos voor de vergelijkingscollectie ingeslagen terwijl Jessica met Berthold op stap ging, op zoek naar een echte baklavabakker. Ze wilde nog wat kopen voor onze Libische begeleiders omdat wij hen nu al twee keer een deel van hun avondeten uit de mond gestoten hadden. Daar voelde zelfs ik mij een beetje bezwaard omdat ik al gegeten had en zij niet.

Na Houn ging het snel verder omdat we voor 18:00 uur voorbij de politiepost langs de weg de woestijn in moesten zijn. Na 18:00 uur mogen in Libië namelijk geen vrachtwagens meer rijden (en de Rotel-bus was in feite een omgebouwde vrachtwagen) omdat de kans dan zoveel groter is dat chauffeurs in slaap vallen. De wagens worden dan eenvoudig bij de politiepost stilgezet. Wij wilden niet bij de grenspost overnachten maar in de woestijn. Dus reed Alois stevig door en waren we bijtijds de politiepost voorbij.

De Rotel werd dit keer best ver van de weg opgebouwd en ook waren er dit keer geen hoogspanningsmasten te bekennen. Een unicum want die dingen zie je in Libië bijna overal. In plaats daarvan was het gebied bezaaid met grote, rechthoekige gaten. Dat waren testputten die gegraven waren om te zien hoe de ondergrond er uitzag. Aan de hand daarvan was besloten de weg de route te laten volgen die we vandaag gereden waren. Na de aanleg van de weg waren de putten gewoon open gebleven en in één daarvan hebben wij de Rotel opgebouwd. Ook werd het hout, dat we in de citrusplantage vorige avond met veel moeite verzameld hadden, uitgeladen en naar een haardplaats gedragen. Alois had duidelijk ergens de smoor in en was enorm kortaf. Misschien kwam dat omdat we tijdens de bustocht verschillende malen bij politieposten waren aangehouden en het overreikte papiertje niet het gewenste effect sorteerde. Akram, Feisal en Hassan moesten af en toe best wel wat overredingskracht gebruiken om ons voorbij de post te krijgen. Anderzijds kon het ook zijn dat de groep Alois ondertussen enorm irriteerde. Heel begrijpelijk want er zaten echt een paar klaagmuren bij.

Het avondeten bestond uit een goede groentesoep. Drie volle borden waren voor mij voldoende. Een uurtje later volgde het tweede avondeten bij Akram en co.: kleingesneden spaghetti in een tomaatachtige saus die behoorlijk scherp was. Toen we bij de thee met pinda’s aangekomen waren, kwam Achim er ook bij. Die man kon echt totaal onbevangen uit de hoek komen en deed dingen of stelde vragen die wij niet in ons hoofd zouden halen. Bijvoorbeeld, met schoenen op het kleed gaan zitten, zelf thee bijgieten en Akram vragen of hij in zijn waterpijp hasj of marihuana rookte… Het werd behoorlijk laat en de andere Rotelianers waren al geruime tijd bij de resten van het kampvuur verdwenen terwijl wij nog steeds, uit de wind tegen de zijkant van de bus zaten. Daarna zijn wij ook maar gaan slapen.

vrijdag, december 25, 2009

Germa en de Garamanten

We mochten op de gebruikelijke tijd, 7:00 uur, weer aanzitten aan het ontbijt, dit ondanks geruchten dat we zouden mogen uitslapen. Niet dus. Zoals gewend was het behoorlijk koud. De douche daarentegen was gloeiend heet. Tijdens het ontbijt kwam de dikke zwarte kater kijken waar we mee bezig waren. Ontbijt? Nou, dat vond hij maar wat interessant. Nu kwam het extra blikje Bierwurst, dat we gisteren bij de picknick hadden gekregen, goed van pas. Kat vond de inhoud erg lekker. Hij stopte zowaar zodra hij genoeg had. Het blikje werd daarna door ons op de binnenplaats van het camp bij een dadelpalm geplaatst, een plek waarvan we dachten dat dat wel eens een katten verzamelplaats zou kunnen zijn.

Onderweg stopten we in Al-Ghoraifa voor inkopen. Berthold vertelde het één en ander over het water en zijn exploitatie in Libië en de grootste door mensenhand gemaakte rivier: het Man Made River project (zie dinsdag, 17.11.2009). Ook vertelde hij over het volk der Garamanten, omdat we vandaag naar hun oude hoofdstad zouden gaan, naar Germa. Zij worden het eerst bij Herodotus genoemd en zijn onder ander bekend vanwege hun tweewielige wagens.

In Germa reden we direct door naar de opgraving, waar de Engelsen dwars door het oude en verlaten lemen Germa heen hebben gegraven tot op de bewoningslaag der Garamanten. Het leuke is dat de rails voor de afvoer van de stort er nog steeds ligt, net als een paar kiepkarretjes. De opgraving was nog niet echt beëindigd maar door de Libische revolutie moesten de Engelsen hals over kop het land verlaten en hadden geen tijd meer om alles mee te nemen. Het ziet er uit als op oude opgravingfoto’s. We hebben de groep de groep gelaten en zijn direct naar het gebouw in het diepste, centrale deel van Germa gelopen. Dit was waarschijnlijk ooit een publiek gebouw, maar zeker zijn we daarvan niet. Het was opgetrokken uit grote zandsteenblokken en deels heftig gerestaureerd. Het verschil met de lemen huizen op een hoger niveau daar omheen was enorm. Een paar van die vervallen huizen hebben we bekeken. Het was er nog steeds een doolhof ondanks het feit dat de meeste muren lager dan borsthoogte waren. Op weg naar de casba, de woonplaats van de Ottomaans heerser, kwamen we langs een paar metershoge profielen die nog grotendeels behouden waren. We zagen hierop de woonlagen van het “moderne” oude Germa, Ottomaanse en Garamantische bewoningslagen, haardplaatsen enz. En overal staken stukken bot, houtskool en aardewerk uit het profiel. Als archeoloog hebben we geleerd nooit iets uit het profiel te halen als het niet moet, dus we lieten onze gretige handjes netjes in de zakken. Er lag daar sowieso genoeg van dat spul op de grond…

Vanaf de casba, waar we via illegaal klimwerk binnen kwamen, hadden we een mooi uitzicht over de oude stad en de verwaarloosde palmtuinen er naast. Ook konden we van boven de rest van de Rotelianers begroeten die net langs kwamen. Berthold waarschuwde ons van beneden nergens tegenaan te leunen vanwege instortingsgevaar. Dus zijn we maar voorzichtig weer terug gegaan en hebben de groep weer opgezocht die juist de gereconstrueerde lemen huizen aan de rand bekeken. We vroegen Berthold of het mogelijk was dat wij het museum in het nieuwe Germa gingen bezoeken, want in de Lonely Planet gids van Libië, die we hadden meegenomen, stond dat dat de moeite waard was. We hadden toch lunch, dus we dachten dat het geen probleem zou moeten zijn, ook al was het nog een eind lopen terug naar het moderne Germa.

Natuurlijk mochten we niet alleen en Akram regelde vervoer in de vorm van één van de Germa-opzichters die ons, Lutz en Hassan, onze privé agent, naar het museum reed. We hoefden hem niet te betalen want toen we hem het één en ander in de hand wilden drukken, zei hij dat Akram dat al voor ons gedaan had. Er moesten in het museum allerlei formulieren worden ingevuld wat Hassan voor ons deed. Betalen moesten we hier wel. Het museum was klein maar zeker de moeite waard. We hadden ongeveer anderhalf uur en we waren zo’n tien minuten voor tijd klaar met onze rondgang. Er waren een heleboel (zand )stenen werktuigen, rotsschilderingen en een heleboel verklaringen van geologie en prehistorie. De geschiedenis van de Garamanten werd ook duidelijk uitgelegd. Veel was in het Arabisch maar er waren gelukkig ook veel uitleg in het Engels. We zagen een mummie van een kind uit de eerste eeuwen na Chr., wat Jessica vooral interesseerde, en slak van de zoutproductie, wat mij in hogere sferen bracht. Verder was er een enorme hoeveelheid Romeinse olielampjes en een ruimte met moderner spul zoals wapentuig en medailles. Hierna gingen we weer naar buiten om op de bus te wachten. Dat duurde niet lang. De bus stopte, we mochten instappen en gingen op weg naar Murzuq. Dat was een lange zit door nog meer woestijn.

In Murzuq bezochten we vlug nog een groente- en fruitmarkt. Dit was voornamelijk vanwege de Tobou-vrouwen, die er altijd heel fleurig uitzien maar absoluut niet gefotografeerd willen worden. We hebben wat parfum-achtig kruid gekocht dat je moet branden en er dan boven moet gaan hangen zodat de rook in je kleren komt. Ook hebben we wat dadels gehaald voor de vergelijkingscollectie in Nottingham.

De overnachting was even buiten Murzuq in een citrusplantage. Die zag er goed uit. De Rotel werd tussen citrusbomen afgesteld. In het midden stonden grote, ronde gebouwen met rieten kap voor feesten. Onze Arabische begeleiders zetten zich in de grootste neer. Wij gingen na het opzetten van de Rotel helpen zoeken voor het kampvuur morgen in de woestijn. Er was hier genoeg hout. Bij een groot uitgebrand vuur vond Jessica nog een paar grote stukken die we meesleepten naar de verzamelplaats. Dit bleek echter giftig tropisch hout te zijn. Dus moesten we op zoek naar een nieuwe bron. Er lag nog een dode tamarisk, waarvan Alois en Berthold al stukken hadden afgebroken. Dit hout was zeer taai. Na veel gewrik en gesjor bleef alleen de dikke stam over, die ook gebroken moest worden omdat hij anders niet in de bus zou passen. Alois had het goede idee om deze tussen de vork van een boom te klemmen en zo met domme kracht om te buigen. Dat ging goed. Vervolgens hebben we in het laatste licht van de zon nog onze gebruikelijke bezigheden nagegaan: schrijven en borduren.

Het avondeten viel een beetje tegen: Pellkartoffeln met haring in mosterdsaus in blik. Gelukkig werden we even later weer bij onze Libische begeleiders uitgenodigd. Zij hadden een uiterst smakelijk prutje bereid met erwten en wat dies meer zij. Samen met brood was dit ook voor mij meer dan genoeg. Na de thee met pinda’s was het tijd om de Rotel op te zoeken.

zondag, december 20, 2009

Archeologie in de abri (zaterdag, 21 november 2009)

Vandaag moesten we extra vroeg op. Het ontbijt zou om 6:00 uur zijn en om 7:00 uur zouden we wegrijden, terug naar het camp in Al Aweinat, waar we gisteren onze picknick hadden. Daar zouden jeeps klaar staan voor een excursie naar het Acacus-gebergte. Omdat we in de woestijn waren en er geen douches etc. waren, dachten we dat 5:45 uur als opstaan tijd vroeg genoeg zou zijn. Daarin vergisten we ons. Om 5:15 uur begon iemand op een soortement van hoorn reveille te blazen, met als gevolg dat iedereen gelijk klaar wakker was. Maar goed, nu had ik tenminste de gelegenheid het nat-scheren in bijna volledige duisternis te oefenen. Iets dat ik altijd al had willen doen… Het ging volgens mij wel aardig, maar ik moet wel zeggen moet dat ik het resultaat niet kon controleren. Het was trouwens wel mooi hoor, ofschoon koud, ontbijten met de sterrenhemel in volle glorie boven je hoofd.

Een kwartier voor tijd was alles in- en weggepakt en reden we naar Al Aweinat, langs het Acacus-gebergte, waarachter de zon langzaam opkwam. In Al Aweinat moesten we nog even wachten tot alle zeven jeeps er waren. Daarna ging het in dezelfde samenstelling als in Alfejej het gebergte in, dat wil zeggen Jessica, Lutz, Wolfgang en ik. Onze chauffeur heette Hassan en sprak alleen Arabisch, helaas. We startte als laatste en na wild gerij kwamen we als tweede in de colonne. Het was uiteraard niet mogelijk om vooraan te rijden omdat daar de leider van de touragentuur moest zijn. De jeeps waren oud en rammelig en van de onze moest het linker voorwiel af en toe worden gecontroleerd om te zien of alle bouten nog vast zaten. De deuren moest je met de vingertoppen geplaatst vlak naast het glas sluiten. Om de ramen te openen had je het hendeltje nodig dat er eeuwen geleden waarschijnlijk al af was gesprongen. Verder had de snelheidsmeter geen wijzer meer. Onnodig om te zeggen dat de veiligheidsgordels vastgeroest zaten.

Na de weg volgde de piste door de buitenwijk van Al Aweinat, waar de illegale Tuareg hun onderkomen hadden gezocht, en van daar kwamen we op een licht heuvelige vlakte met zwart gepatineerde zandsteenbrokken. We stopten bij een bijna opgedroogde waterput midden op de vlakte en reden daarna verder tot de volgende stop. Iedere 20 minuten volgde een stop, voor foto’s. Zodra we bij de uitlopers van de Acacus kwamen, werd het landschap interessanter. De zandsteen rotsen hadden scurriele vormen; sommige leken op eenden, kamelen enz., wat je er maar in wilde zien. Tussen de zwart gepatineerde, hoekige brokken zandsteen lagen ook ronde vormen die als siderietknollen gedefinieerd konden worden (sideriet is ijzercarbonaat). Ze hadden een gelaagde opbouw die rond een zand- of kleikorrel gevormd waren.

Het werd met elke stop interessanter. De obligatorische kamelenstop was wat minder boeiend, maar het was wel leuk om de kamelen weer eens van heel dichtbij te zien. Wat voor ons heel interessant was, waren de rotstekeningen en abri’s waarin de Neolithische mens ooit verbleef. De afbeeldingen konden in dezelfde vier periodes worden ingedeeld als in Wadi Mathandous. De oudste periode was de natuurlijke periode met afbeeldingen van dieren zoals de giraffe en struisvogel in simpele omlijningen. Dan volgde de pastorale periode met tekeningen van vee, die in sterke mate vertegenwoordigd waren. Van de paarden- en kamelenperiode waren haast geen afbeeldingen te vinden. De abri’s, beschutte plaatsen onder overhangende rotspartijen, zagen er inderdaad uitnodigend uit als natuurlijk onderkomen. Behalve rotstekeningen zagen we daar komvomig uitgesleten steenblokken. Hun gebruik is niet duidelijk maar het lijken een soort van maal- of stampkommen te zijn geweest. Daarna volgde verdere fotostops met rotstekeningen van een heleboel wilde dieren.

Lunch was in een U-vormig door rotsen omsloten dal, waarbij de onderzijde van de rotsen uitgehold was zodat een overkapping ontstond. In het dode eind van de U was de grond behoorlijk verhoogd door prehistorische mestlagen. Er waren hier in het begin van de 20e eeuw door de Italianen opgravingen verricht, voornamelijk aan één van de zijdes van het dal. Wij konden het niet laten om hier goed rond te kijken. Dat was ook de bedoeling want de Neolitische mens had hier verschillende rotsschilderingen achtergelaten in de vorm van rode mensachtige figuurtjes en zwarte handomlijningen. Er was een min of meer duidelijke linker hand afgebeeld. Wat moeten die kunstenaars klein zijn geweest! Op de grond vonden we meerdere scherven Neolitisch aardewerk met punt- en streepversieringen. Jullie weten wel, van het soort dat in Europa met de grootste zorg behandeld zou worden en een ereplaats in een museum zou krijgen. Hier hadden we in zo’n tien minuten een stuk of twintig scherven bij elkaar gesprokkeld… Ook vonden we wat zandsteen afslagen en een kernsteen, waarvan de afslagen afgeslagen waren. We hebben een beetje archeoloogje gespeeld en daarbij enige Rotelianers aangstoken.

De lunch werd weer door Rotel verzorgd. De jeep met het eten was evenwel de U al uitgereden en moest worden teruggeroepen voordat we konden aanvallen. De lunch bestond uit stokbrood, komkommer, wat verrotte tomaten, Fleisch- en Bierwurst in blik (waarvan we er eentje hebben bewaard voor de katten in Al Aweinat) en wafeltjes als toetje. Was de lunch matig, het decor was machtig. Al de rotsen zijn aan de zijkant afgeslepen alsof er reusachtige hoeveelheden water over hebben gestroomd. Alleen de top lijkt grover en is door de wind in bizarre vormen afgesleten. Mogelijk was dit dal ooit een enorme waterval. Bij het bekijken van het landschap viel verder op dat het zandsteensediment een scheve gelaagdheid had. De bodem leek naar het westen toe afgezakt te zijn. De geologie van het Acacus-gebergte bestaat eigenlijk uit een soortement van dal, veroorzaakt door het naar elkaar toeschuiven van twee aardplaten. Door de druk van beide zijdes werd het middendeel naar beneden geduwd terwijl het aan de randen omhoog kwam.

Voor we weg gingen uit het dal kregen we nog een mierzoete thee, die Jessica gelukkig wel lekker vond. Daarna werd de terugtocht aanvaard. Deze tocht ging langs een paar andere abri’s met rotsschilderingen. Omdat ze zo delicaat zijn, waren deze met een hek van gedroogde palmbladeren afgezet. Dit hield de toerist af van het aanraken van de schilderingen maar maakte helaas vandalen ook attent op de aanwezigheid van die schilderingen. Bijgevolg waren op een aantal plaatsen deze eeuwenoude schilderingen met spuitbussen en graffiti onherkenbaar gemaakt.

We raakten op de terugweg delen van het konvooi kwijt maar na zo’n tien minuten wachten op een zandduin zagen we de rest weer. Na nog een stop kwam het eindpunt, het camp in Al Aweinat, in zicht. Gelukkig maar want het schudden in de jeep waren we ondertussen wel een beetje zat. Alois had in z’n eentje de Rotel al opgebouwd, helaas buiten het camp want toen hij wilde opbouwen was het camp nog bezet door een troep Fransen. Dit betekende dat we een heel stuk moesten lopen voor de toiletten en douches.

Het avondeten bestond uit macaroni met een soort van platgeslagen gehaktbal. Omdat er zoveel muggen waren, zijn we vroeg de Rotel ingedoken en hebben in de betrekkelijke beschutting van onze met muskietennet afgesloten cabine het dagboek bijgewerkt en Jessica heeft natuurlijk weer geborduurd. Zij had het echt nodig hier binnen te zitten want haar enkels waren rondom lek gestoken.

zaterdag, december 19, 2009

De geesten op de berg (vrijdag, 20 november 2009)

Op de gewone tijd begon de muezzin te kwelen en werd de Rotel wakker. We hadden beide al de dag tevoren gedoucht dus dat scheelde weer een paar minuten eerder opstaan. Dit keer was er geen gehaast na de reprimande van Berthold gisteren, dus alles ging in een rustig gangetje. Om 8:00 uur reden we weg naar Ghat en aansluitend naar onze overnachtingplaats de Geestenberg in het Acacus-gebergte. Het was weer een lange rit met een heleboel stops tussendoor, een stel daarvan niet gepland omdat er Rotelianers waren die graag even uit wilden stappen.

Een eerste stop was in een grotere plaats om in te kopen. Het was vrijdag en dat betekende dat de meeste winkels gesloten waren. Alleen in de steden was het één en ander open. We hebben wat zoetigheid, hartigs en vocht ingeslagen en zijn verder gereisd naar Ghat. Dit was voor de picknick. Deze vond plaats bij een camp in Al Aweinat. Het was er min of meer leeg en we mochten gebruik maken van de tafels en stoelen aldaar. Later zagen we een groep Fransen die daar legerden en er met 4x4’s op uit ging, waarschijnlijk voor een safari in het Acacus-gebergte. Interessanter waren twee katten die in het camp ronddoolden. De eerste was zwart gevlekt en ronduit vet. Hij werd waarschijnlijk door de meeste gasten gevoerd. Onze groep was daarin geen uitzondering. De tweede kat was mager en werd telkens door de grote zwarte kater weggejaagd. Wij hadden niets eetbaars voor hen bij ons maar namen ons voor bij het volgende ontbijt wat worst in te slaan.

We vervolgden de reis, stopten nog een keer om sprokkelhout te zoeken voor het kampvuur die avond en kwamen aan het begin van de middag bij Ghat aan. Het eerste dat ons opviel bij het naderen van de stad was het Italiaanse fort boven op de heuvel. Dat zag er heel imposant uit, totdat je erin was. Van beneden leek het erg groot, in werkelijkheid was het evenwel smal en klein. We werden onder aan de heuvel beneden het fort uit de bus gezet en liepen achter Berthold omhoog langs de oude stad. De sleutel van het fort werd bij de souvenirzaak naast de oude stadspoort opgehaald en daarna ging het met een zigzagweg omhoog. Van boven hadden we een prachtig uitzicht op de oude, lemen stad. Het was min of meer cirkelvormig, ommuurd met een aantal poorten daarin. In het midden van de stad stond het ronde huis van de Ottomaanse heerser. De meeste gebouwen waren helaas vervallen, andere zagen er nog enigermate toonbaar uit en weer andere, met name langs de rand, waren opnieuw bewoond door illegale gastarbeiders uit het zuidelijke Afrika. De kinderen hadden daar ieder geval een prachtige speeltuin. Ze klommen op en over muren en verstopten zich op binnenplaatsen en in ruïnes. Keek je vanaf het fort in de andere richting, zag je een betonnen nieuwbouwwijk met overal schotelantennes. Dat was een heel contrast. Omdat er weinig te zien was in het fort zelf (vervallen ruimtes rond de smal driehoekige binnenplaats en een trap naar boven op de muur), gingen we snel weer naar beneden. In de souvenirzaak naast de oude poort kregen we nog een kopje mierzoete thee aangeboden, waar Jessica gelukkig wel raad mee wist, en hebben daar twee metalen, gestileerde woestijnvosjes gekocht. Soortgelijke vosjes hadden we eerder die morgen bij vliegende handelaren bij het tankstation gezien. Omdat er meer dan 400 l in de tank ging, was Alois wel even bezig. Tegen de tijd dat hij klaar was, zaten er een stuk of zeven straatventers met hun waar naast de bus.

Na de souvenirzaak volgde een rondtour door de oude stad. Er was niet zoveel te zien als in Ghadamès. Ook de oude plantages rondom de stad waren verwaarloosd. Wel zat er nog een souvenirzaakje in het hart van het stadje. Ook dit waren waarschijnlijk illegale Tuareg uit Niger, die in de herfst- en wintermaanden souvenirs in Libië maakten en in de overige maanden in hun eigen land werkten. De tour duurde niet erg lang. We kwamen bij een andere poort de stad uit en liepen direct de moderne stad binnen. Hier kregen we een heleboel vrije tijd om naar hartenlust rond te kunnen neuzen. Nou, dat had echt niet gehoeven. Er was niet veel om te bekijken. Een brede vierbaansweg met brede middenberm voerde dwars door de stad. Aan weerzijdes waren kleine winkeltjes en theezaakjes. De theezaakjes zaten vol met mannen die naar een Arabische soap op tv aan het kijken waren. We konden ons inhouden hen te vergezellen en wisselden de hoofdweg voor zijstraten. We zagen nog meer winkels, een hoop troep en een marktplein met een zevenarmige palmboom. Aan de andere zijde van de hoofdweg stonden nog meer huizen, waarvan sommige in aanbouw, lag nog meer troep en waren verharde straten vervangen door zandbanen. Op één van die zijstraten speelden twee jongens. Omdat Jessica nog steeds een heleboel lollies in haar cameratas had, gaf zij hen er elk één. Bij onze volgende ronde door die staat, hadden de kinderen zich vermeerderd en waren we de overige vijf lollies snel kwijt. Als dank wilden zij zich wel op de foto laten vereeuwigen.

Vervolgens moesten we snel terug naar de bus. We reden een deel van de weg terug naar het Acacus-gebergte en de Geestenberg. De naam Geestenberg komt van de djin, de geesten, die hier de zielen van de doden in de vorm van vogels in de grotten opgesloten houden. We kampeerden niet op de berg maar er voor, met goed zicht op de bergen rondom ons. De mannen bouwden de Rotel op, de vrouwen gingen groente schillen en schoonmaken voor de groentesoep. Die was overigens erg goed. Als toetje was er rijstepudding. Dat was niet ons enige avondeten die dag. Kort nadat we de boel van het Rotel-diner hadden afgewassen en afgedroogd, kwam Hassan, de veiligheidsagent, Jessica vertellen dat ze kon komen om hun avondeten te proeven. Zij had namelijk de fout begaan door Akram te vragen wat zij, dat wil zeggen de Libische begeleiders, telkens aten. Daarbij werd ze en passent uitgenodigd dit aan den lijve te ondervinden. Aangezien het mij geen goed idee leek om Jessica alleen te laten gaan, heb ik mijzelf ook maar uitgenodigd. Dat bleek ook geen probleem te zijn. We werden uitgenodigd om aan te zitten in hun “huis”, een groot kleed, uiteraard zonder schoenen. Wij kregen een bord met twee vorken en de andere drie heren hadden een grote schaal. Het eten bestond uit een mix van kikkererwten met olijven, tomaten en ui en brood als extraatje. Als we zouden moeten kiezen tussen Duits-Rotel of Libisch-Akram, nou dan wisten we het wel… Na het eten volgde een klein glaasje groene thee met suiker en gerooste pinda’s. Een op het eerste gezicht rare combinatie maar iets dat in werkelijkheid erg goed smaakte en dat we beslist thuis ook gaan proberen. Hoewel alleen Akram een beetje Engels sprak en Feisal en Hassan zo goed als niet, was een gesprek niet altijd even makkelijk, maar gezellig was het wel. De Rotel-groep zat een eind van de achterkant van de bus bij het kampvuur en wij aan de zijkant voor. We hebben het over allerlei zaken gehad met de sterrenhemel boven ons. Het was licht bedekt maar tegen de morgen was alles weggetrokken.

donderdag, december 17, 2009

Graven in de woestijn (donderdag, 19 november 2009)

Het leek wel alsof de Rotelianers nog sneller dan anders hun dagtaken wilden afhandelen. Volgens mij was het ruim voor 7:00 uur dat begonnen werd met het ontbijt en het afwaswater was definitief voor 7:30 al weggegooid. Ook de Rotel was voor 7:45 uur al afgebouwd. Niet dat de aanhanger mee zou komen vandaag, maar dat was een veiligheidsmaatregel. Bijgevolg moesten we nog ongeveer een kwartier wachten tot we vertrokken. Deutsche Pünktlichkeit, want 8:00 uur was de vastgestelde vertrektijd. Berthold zei hier iets van in de bus en hopelijk zijn onze medereizigers morgen niet zo gehaast.

Vandaag was een excursie gepland naar de rotstekeningen van Wadi Mathandous. Dit zou een heel hobbelige tocht worden en we waren gewaarschuwd om al het loszittende spul vast te zetten. We begonnen rustig aan. Over de straat richting zuid, een vierbaansweg waarvan de ene richting (niet de onze) nieuw geasfalteerd was en de andere in begaanbare staat. Vergeleken met de “wegen” die kwamen, was dit hemels. Plotseling werd er gestopt en mochten we uitstappen om nog wat Garamanten-graven te bezichtigen. Deze lagen bijna direct naast de weg, waren in een behoorlijk goede staat en we hoefden er niet voor te betalen. Eigenlijk zouden we op een andere plaats die graven gaan bekijken maar volgens Berthold waren deze beter omdat die anderen kapot gerestaureerd waren. En je moest er voor betalen natuurlijk. Deze graven lagen op de flank van hetzelfde zandsteen plateau waar we eergisteren tegen het einde van de reis al langs begonnen te rijden, de Msak Settafet. Ze hadden een piramidevorm en bestonden uit brokken natuursteen met een lemen buitenhuid. Overbodig om te zeggen dat ze allemaal leeggeroofd waren.

Daarna ging het door een door mensenhand geslagen kloof door de Msak Settafet naar het hoogplateau van Murzuq. Bij een politiepost gaven we het inmiddels welbekende papiertje af en reden verder op een soort van golfplaatstraat of iets dat daar op leek. Door de vering van de voertuigen die er overheen rijden, wordt een deel van de weg meer verhard dan het andere deel en het resultaat is een golvend oppervlak. Dat reed niet echt prettig. Hoewel Jessica de bus die morgen had schoongeveegd, was er nog genoeg zand in de bus achtergebleven. Dat schudde nu lekker los, stofte op van de bagagerekken en dwarrelde overal. Het was net alsof je in een afgesloten ruimte zand aan het vegen was. Eigenlijk hadden we voor deze tocht een mondkapje moeten hebben… Alois probeerde het gehobbel zoveel mogelijk te vermijden door langs de rand van de weg te rijden. Dit was deels een verbetering. Een bijwerking was wel dat de bus soms gevaarlijk ver overhelde en af en toe wat slipte in het mulle zand van de berm.

Na een tijdje lieten we de weg achter ons en reden over pistes de rots-zand woestijn in. Het slippen werd wat erger want Alois hield van doorrijden. Zo’n 70 km/uur zal hij over het deels aangereden zand hebben gereden. Daarna volgde een tweede politiepost. Deze was er volgens de officiële lezing alleen om te weten waar je heen ging zodat, als je daar niet aankwam, ze konden gaan zoeken. Hierna werd de tocht nog lastiger. De bus moest door het mulle zand een heuvel op. Dat lukte niet, dus reed Alois achteruit de heuvel weer af en volgde een ander spoor om de heuvel heen. Daarna week hij van het spoor af om weer op de oude route te komen. Mul zand en zware bus waren geen goede combinatie. De bus kwam verschillende malen vast te zitten in het zand. Gelukkig was met alles rekening gehouden en hadden we scheppen en rijplaten aan de zijkant van de bus hangen. Bij elke keer moesten we de bus uit, zand weggraven voor of achter de wielen, rijplaten er voor of er achter leggen, de bus voor- of achteruit laten rijden, rijplaten oppakken en aan de bus hangen, en de bus weer in. Eén of twee keer was wel aardig. Na de vijfde keer begon het een beetje vervelend te worden. De standaard Rotel-fotografen waren niet meer aan het plaatjes schieten of filmen maar begonnen openlijk te morren. Berthold en Alois werden hierdoor een beetje kortaf, vanzelfsprekend. Maar uiteindelijk redden we het de heuvel op, een minder steile heuvel dan die aan het begin, en vonden de weg naar Wadi Mathandous. Na het zand volgde een rotswoestijn met zwart verkleurde zandsteen. Die verkleuring is veroorzaakt door ijzeroxides onder invloed van bacteriën. Als je de steen omdraait, zie je de originele lichtbruin-rode kleur.

Onderweg stopten we nog een paar keer om de benen te kunnen strekken. Dat was wel zo prettig want het geschud en de fijne stof waren niet al te prettig. Eén van de stops was bij de afgebroken kant van een wadi. Het water dat hier in de regenperiode met grote kracht doorheen stroomde, had de hoger liggende delen goed aangeknaagd en je zag zand met stukjes puimsteen en verticale wortelachtige structuren. Geen idee wat dat waren, dat moet ik nog eens nazoeken.

Tegen 12:30 uur bereikten we Wadi Mathandous. De groep Italianen die ons onderweg met hun 4x4’s had ingehaald, was er al lang en vertrok nadat wij onze lunch hadden gehad. Deze bestond weer uit een picknick waarbij Rotel voor het (stok‑)brood zorgde. Er stonden daar wat vierpalige met palmbladeren gedekte structuren waaronder we hebben gezeten. Daarna mochten we het park binnen. Het eerste dat we bij de ingang te zien kregen, was een slang. Een echte en een heel dodelijke. Zij onderscheiden zich van de niet-giftige exemplaren door hun staart, die heel snel in een punt overgaat en een kop die meer van het lijf is afgezet. Een beet van zo’n beestje en 10 minuten later kan je de boel van boven gaan bekijken. Onze Canadees (we hadden een heel internationale groep; behalve wij als Nederlanders waren er twee Denen en een Canadees) geloofde er geen woord van en ging rustig op zijn sandalen op nog geen 50 cm afstand een foto maken. De slang bleef rustig liggen wat een geluk voor de Canadees was.

Wadi Mathandous voerde nog deels water van de vorige regenbui. In de rotsen aan de zijkant zagen we onze eerste rotstekeningen. Ze zijn optisch in drie groepen verdeeld: eenvoudige ritstekeningen, beter bewerkte afbeeldingen waarbij de groeven zijn geglad en ten derde afbeeldingen waarbij ook de binnenkant is geglad. Chronologisch zijn er vier periodes: de naturale en oudste periode, de pastorale periode, de paardenperiode en de kamelenperiode. Zij omvatten een tijd van ongeveer 8000 v. Chr. tot zo’n 1500 n. Chr. In de eerste periode zijn dieren van de savanne afgebeeld zoals giraffes, olifanten, struisvogels enz. In de daarop volgende periode, de zogenaamde Gouden Tijd van d rotstekeningen, zijn runderen in alle soorten en maten, vormen en gewichten te zien. Dan krijgen we de paarden en de kamelen. Die hebben we echter niet gezien. Nou is dat ook niet verwonderlijk want de locatie van de afbeeldingen strekte zich over 12 kilometer langs de wadi uit. Behalve aan de hand van het plaatje zelf, zijn de afbeeldingen relatief gedateerd met behulp van de patina. Bij het inkrassen is de patina natuurlijk verdwenen, waarna er zich weer een patina in de groef vormde. De dikte van deze patina geeft relatief aan hoeveel tijd sindsdien verstreken is. Het was prachtig al die verschillende diersoorten te zien afgebeeld. De artiesten moeten de dieren goed hebben bestudeerd. De Sahara moest toen nog groen zijn geweest. De reden waarom de Sahara in een relatief korte tijd is ontstaan, wordt met veranderingen in de stand van de aardas en de rotatie van de aarde verklaard. Hierdoor steeg de temperatuur, verdween de vegetatie en viel er steeds minder neerslag.

Na wat klauterwerk langs de rotsen à la Indiana Jones liepen we daarna terug naar de ingang van het park en de bus. Om 15:30 uur reden we min of meer dezelfde weg terug. Dit keer bleven we nergens in het zand vastzitten. We hielden nog twee korte pauzes om een soort van kalebassen in het wild te bekijken. Ze worden door niemand en niets gegeten en in zon gedroogde toestand zijn ze erg licht. Daarom rollen ze overal heen door de wind. De pitten maken een ratelend geluid als je ze schudt. Lutz en ik hebben er nog even boules mee gespeeld.

Het was een lange, schuddende reis en we waren blij om om 18:30 uur terug te zijn. Alois kookte rijst met geëxplodeerde kip voor ons dat in een ommezien weg was. Daarna hebben we gedoucht om het stof weg te krijgen en hebben zoals elke avond dagboek geschreven en geborduurd.